Kifid 2020-020: Informatieplicht adviseur over premiedalingen overlijdensrisicoverzekeringen

Is een adviseur verplicht om zijn klanten te informeren over premiedalingen in de markt? Voor deze vraag zag zich de Commissie van Beroep van het Kifid zich gesteld nadat de adviseur beroep had aangetekend tegen de uitspraak van de geschillencommissie.

De klant had op 1 april 2011 via zijn adviseur een overlijdensrisicoverzekering (ORV) afgesloten bij een verzekeraar met een looptijd van 20 jaar. Op 31 oktober 2018 heeft de klant de adviseur schriftelijk aansprakelijk gesteld voor schade die hij heeft geleden vanwege het feit dat de adviseur hem er niet op had gewezen dat de ORV-premies in de markt aanzienlijk waren gedaald. De adviseur heeft op 11 december 2018 schriftelijk weersproken aansprakelijk te zijn.

De kwestie wordt voorgelegd aan de geschillencommissie van het Kifid, die tot de conclusie komt dat de adviseur bij zijn werkzaamheden niet de zorg heeft betracht die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur mag worden verwacht en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 7:401 BW (privaatrechtelijke zorgplicht) en artikel 4:20, lid 3 Wft (publiekrechtelijke zorgplicht). Echter, aangezien geen schade vastgesteld kon worden, is de vordering van de klant door de geschillencommissie afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de adviseur beroep aangetekend. Hem werd immers verweten zijn zorgplicht te hebben geschonden.  

Ook de Commissie van Beroep stelt net als de geschillencommissie voorop dat de adviseur als op grond van artikel 7:401 BW tegenover zijn opdrachtgevers verplicht is om bij zijn werkzaamheden die zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur mag worden verwacht. Daarnaast is voor de inhoud en omvang van de zorgplicht van de adviseur bij het afsluiten van de ORV ook artikel 4:20 lid 1 Wft van belang, op grond waarvan de adviseur voorafgaand aan het adviseren van zijn klant die informatie moet verstrekken die redelijkerwijs relevant is voor de beoordeling van de ORV. Niet gebleken is dat deze informatieplicht is geschonden.

Uit de in artikel 4:20 lid 3 Wft opgenomen nazorgplicht gedurende de looptijd van de ORV vloeit voort dat de adviseur de klant moet informeren over wezenlijke wijzigingen in de informatie als bedoeld in artikel 4:20 lid 1 Wft. Dit moet naar het oordeel van de Commissie van Beroep worden geïnterpreteerd dat de adviseur de klant gedurende de looptijd van de ORV moet informeren over eventuele wijzigingen in het product zelf, zoals een wijziging in de premie. De nazorgplicht strekt zich echter niet uit tot het informeren van de klant over algemene marktontwikkelingen, waaronder premiedalingen van ORV’s in het algemeen.

De Commissie van Beroep komt tot de conclusie dat de nazorgplicht van de adviseur niet zo ver gaat dat de klant geïnformeerd moet worden over premiedalingen van ORV’s in het algemeen. Een dergelijke nazorgplicht volgt noch uit de toepasselijke wet- en regelgeving, noch uit de relevante omstandigheden van het geval. Overigens had die nazorgplicht wel overeengekomen kunnen worden, maar daarvan is niets gebleken.

Een voor de praktijk belangrijke uitspraak, die weer meer duidelijkheid brengt in de reikwijdte van de (na)zorgplicht van de financieel adviseur ten aanzien van levensverzekeringen. 

Informatie

  • Toekomstvoorzieningen, Pensioen, Recht: Overig, Pensioen Varia
  • Zondag 7 juni 2020