Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Kifid oordeelt over kernbeding in verzekeringen

Consumenten verzekeren zich graag tegen allerlei risico’s. Het is dan belangrijk dat ze weten wat ze precies verzekeren en welke voorwaarden er gelden voor dekking. Daarover kan nogal eens onenigheid bestaan, als er schade plaatsvindt en de verzekeraar weigert die te vergoeden. Wanneer de klant een klacht indient over het niet vergoeden van schade, kijkt een rechter naar de verzekeringsvoorwaarden. Is er volgens die voorwaarden wel of niet sprake van dekking? Daarin speelt het onderscheid tussen kernbedingen en algemene voorwaarden een grote rol. Dit verschil, en het belang daarvan, wordt door Kifid nader uitgelegd. Het geldt voor alle soorten verzekeringen, dus zowel voor schade- als levensverzekeringen.

Belang duidelijke verzekeringsvoorwaarden

Een verzekeraar stelt de verzekeringsvoorwaarden zo op, dat er vooraf een duidelijk inschatting gemaakt kan worden over de verwachte schade die uitgekeerd moet worden. Als de verzekeringsvoorwaarden zeer ruim zijn, moet er vaker uitgekeerd worden. Dat leidt tot een hogere premie. Dat heeft mogelijk weer tot gevolg dat minder consumenten geneigd zijn de verzekering bij die verzekeraar af te sluiten.

Het is daarom van belang dat uit de verzekeringsvoorwaarden duidelijk blijkt wat de dekking precies is. Dat belang geldt zowel voor de verzekeraar als voor de consument. Niet alleen de verzekeraar moet weten waar zij aan toe is, maar uiteraard ook de consument.

Onderscheid gewone verzekeringsvoorwaarden en kernbedingen

Op grond van Europese wetgeving, bestaat er een onderscheid tussen twee categorieën verzekeringsvoorwaarden.

Er zijn voorwaarden die de kern van de prestatie door de verzekeraar beschrijven. Dat zijn de kernbedingen. Daarnaast zijn er de algemene verzekeringsvoorwaarden, die bijvoorbeeld het gedrag van de consument beschrijven waaronder wel of geen dekking bestaat. Of voorwaarden die nadere regels beschrijven waaronder dekking is uitgesloten.

Dit onderscheid is erg belangrijk, omdat in het Burgerlijk Wetboek (zie link naar art 6:231 BW) is aangegeven dat de algemene verzekeringsvoorwaarden niet oneerlijk mogen zijn. Dat wil zeggen: een voorwaarde mag niet ‘onredelijk bezwarend’ zijn. Dat kan al zo zijn, als de voorwaarde onduidelijk opgeschreven is. Die wordt dan altijd in het voordeel van de consument uitgelegd (contra proferentem-regel), of de voorwaarde wordt simpelweg buiten werking gesteld omdat die niet eerlijk of onredelijk is.

Voorbeeld 1

Een klant heeft een telefoonverzekering. De mobiele telefoon wordt gestolen. In de verzekeringsvoorwaarden staat dat de verzekering alleen dekking biedt als er een geautoriseerde Simkaart in de telefoon zit. Dat was op het moment van de diefstal niet het geval. Deze uitsluiting (voorwaarde) is oneerlijk. De verzekeraar moet alsnog uitkeren, omdat het een onredelijke en onbillijke uitsluiting is. De voorwaarde is bovendien geen kernbeding. 

Voorbeeld 2

Een levensverzekeraar biedt een beleggingsverzekering aan. Het eindresultaat valt de klant erg tegen, doordat er allerlei kosten zijn ingehouden. De verzekeringnemer wist van tevoren niet precies welke kosten ingehouden zouden worden. Er stond in de verzekeringsvoorwaarden alleen in vage bewoordingen iets over beheerkosten, maar nergens stond hoe hoog die waren of waarvan die afhankelijk waren. Deze verzekeringsvoorwaarde is niet-transparant en daarmee oneerlijk. De verzekeraar moet de uitkering verhogen met de eerder ten onrechte ingehouden kosten.

Toetsing op ‘oneerlijkheid’ geldt niet voor kernbedingen

Alle verzekeringsvoorwaarden moeten duidelijk en begrijpelijk zijn. Dat geldt zowel voor kernbedingen als voor algemene voorwaarden. Maar voor kernbedingen geldt dat er niet getoetst mag worden op ‘oneerlijkheid’. Een kernbeding is een voorwaarde die duidelijk de dekking van de verzekering afbakent en die direct invloed heeft op de verzekeringspremie.

Voor de verzekeraar is elk kernbeding dus bijzonder belangrijk: als dit helder beschreven is, kan de klant zich niet achteraf beklagen over het feit dat een dekkingsuitsluiting oneerlijk of onredelijk is. Een verzekeraar zal zich bij afwijzing van een schadeclaim het liefst proberen te beroepen op een uitsluiting die een kernbeding is. De oneerlijkheid ervan wordt dan immers niet getoetst.

Waar ligt de grens tussen kernbeding en algemene voorwaarde?

Op grond van mogelijkheid om een voorwaarde op oneerlijkheid te toetsen, is het dus erg belangrijk het onderscheid tussen kernbeding en algemene voorwaarde vast te stellen. En dat is erg ingewikkeld: een verzekeraar stelt immers het liefst dat alle voorwaarden die ze hanteren, invloed hebben op de premie. En dat er daarom nooit een oneerlijkheidstoets gedaan hoeft te worden. Dan heeft de wettelijke bepaling van die oneerlijkheidstoets dus helemaal geen nut meer.

Daarom heeft de Hoge Raad in 2018 (zie externe links) al eens de afweging gemaakt dat niet alle bedingen die op enigerlei wijze van invloed kunnen zijn op de omvang van de premie, als kernbeding moeten worden aangemerkt en daarom van toetsing op oneerlijkheid zijn uitgesloten.

Alleen bedingen die de kern van de prestaties aangeven, zijn kernbedingen. De Hoge Raad: “als vuistregel kan worden gesteld dat kernbedingen veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen, niet tot stand komt.

Dit blijft een lastige afweging. Nog steeds valt niet direct van elke voorwaarde te zeggen of het een kernbeding dan wel algemene voorwaarde is. We proberen dat toe te lichten aan de hand van een voorbeeld. Dit voorbeeld is bewust enigszins overdreven om het verschil tussen kernbedingen en algemene voorwaarden aan te geven.

Voorbeeld kernbeding/niet-kernbeding

Een verzekeringnemer sluit een ongevallenverzekering af, die uitkeert bij overlijden. In de polis staat dat er alleen uitgekeerd wordt als dit het gevolg is van een ongeval. De verzekeringnemer overlijdt als gevolg van een ziekte waar geen ongeluk aan vooraf is gegaan. De nabestaande claimt een uitkering, omdat de verzekerde is overleden. De verzekeraar beroept zich op het kernbeding dat de verzekering alleen uitkeert bij overlijden als gevolg van een ongeval. Dit beding kan volgens de verzekeraar dus niet op oneerlijkheid getoetst te worden.

Een rechter zal meegaan in het argument van de verzekeraar: de voorwaarde dat de verzekering alleen uitkeert als gevolg van een ongeval, is een kernbeding. De hele verzekering is hierop gebaseerd. De premie voor een ongevallenverzekering is ook veel lager dan voor een algemene overlijdensrisicoverzekering. Deze bepaling hoeft dus niet getoetst te worden op oneerlijkheid.

Stel nu, dat de verzekerde niet door een ziekte overlijdt, maar doordat hij van een ladder gevallen is tijdens kluswerkzaamheden (niet beroepsmatig).

Hoewel deze gebeurtenis in het dagelijks spraakgebruik valt onder ‘ongeval’, heeft de verzekeraar in zijn voorwaarden opgenomen, dat de definitie van ‘ongeval’ beperkt is. Zo zijn alle ongevallen waarbij sprake is van enige activiteit op een ladder uitgesloten van dekking.

De nabestaande beroept zich op de oneerlijkheid van deze uitsluiting. De verzekeraar stelt dat het een kernbeding is. Een rechter zal in dit geval de verzekeraar in het ongelijk stellen: deze specifieke uitsluiting is geen kernbeding, maar een nadere, specifieke uitleg van een dekking.

Dat betekent dat deze uitsluiting wel getoetst zal worden op oneerlijkheid.

Wat de uitslag van die toets is, doet er voor dit voorbeeld niet toe. Dat ligt aan de omstandigheden van het geval en de mate waarin deze voorwaarde vooraf aan de klant is uitgelegd.

Het gaat in dit voorbeeld slechts om het verschil tussen wat een kernbeding is en wat een algemene voorwaarde is.

Waar draaide het om in de Kifid-casus?

In de uitspraak die het Kifid deed, was er discussie over of er sprake was van een uitsluiting op basis van een kernbeding of van een algemene voorwaarde.

In dit geval draait het om een kostbaarhedenverzekering. De verzekerde had sieraden te koop aangeboden op Marktplaats. Die sieraden vielen onder de dekking van de kostbaarhedenverzekering. Een potentiële koper kwam langs om de sieraden te bekijken. Ze zaten buiten in de tuin met de sieraden. De verzekerde ging even naar binnen. De sieraden bleven bij de potentiële koper. De verzekerde had geen zicht op die sieraden. Toen hij weer buiten kwam, bleek de koper verdwenen en had hij de sieraden meegenomen.

De verzekerde claimt de schade op de kostbaarhedenverzekering. De verzekeraar weigert, omdat de verzekerde niet de normale voorzichtigheid in acht had genomen, die van hem verwacht mocht worden.

De verzekerde vond deze uitsluiting oneerlijk. De verzekeraar stelde dat de oneerlijkheid niet getoetst hoefde te worden, omdat het een kernbeding is.

Het Kifid kwam tot de conclusie dat de voorzichtigheidsclausule géén kernbeding is. In dat opzicht kreeg de verzekeraar dus ongelijk.

De verzekeringsvoorwaarde dat persoonlijke bezittingen niet zijn verzekerd als een verzekerde niet goed op zijn spullen heeft gelet is geen kernbeding. Het beding gaat over de gevolgen die verbonden worden aan onzorgvuldig gedrag van de verzekerde en is in zoverre geen beding dat het verzekerde risico en de verbintenis van de verzekeraar vooraf duidelijk omschrijft of afbakent.

Dat wil zeggen dat de voorzichtigheidsclausule een algemene voorwaarde is, die getoetst moet worden op eerlijkheid. In dit geval vond het Kifid deze clausule wel eerlijk. De verzekeraar heeft zich gehouden aan diverse regels waarop de eerlijkheid getoetst wordt:

  • De open norm dat een verzekerde goed op zijn spullen moet hebben gelet, past bij wat van een verzekerde mag worden verwacht in zijn relatie tot de verzekeraar
  • Bovendien is de vraag of een verzekerde goed op zijn spullen heeft gelet, in beginsel goed te toetsen. De rechter kan daarbij rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat het om een bepaalde soort verzekering gaat
  • Ten slotte merkt de commissie op dat de verzekeraar in de verzekeringsvoorwaarden voorbeelden geeft van situaties waarin een verzekerde niet goed op zijn spullen heeft gelet. Uit deze voorbeelden kan de verzekerde afleiden wat er van hem wordt verwacht

De conclusie is dat de voorzichtigheidsclausule geen kernbeding is, maar dat er toch geen dekking is. De dekkingsuitsluiting is als algemene voorwaarde namelijk niet oneerlijk.

Waar draaide het om in het Arrest van de Hoge Raad?

Het Kifid verwijst in haar uitspraak naar de afwegingen die de Hoge Raad maakte in een eerder Arrest.

In die zaak ging het om een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De discussie daar ging over de voorwaarde op grond waarvan de hoogte van de uitkering werd vastgesteld. De verzekerde, die arbeidsongeschikt was geworden, vond de manier waarop de hoogte van de uitkering en mate van arbeidsongeschiktheid werden vastgesteld, oneerlijk. Hij wilde deze voorwaarden dan ook toetsen volgens het oneerlijkheidscriterium. De verzekeraar vond deze voorwaarde een kernbeding, die dus niet getoetst mocht worden.

De Hoge Raad was het niet met de verzekeraar eens: de wijze van het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid en de daarmee samenhangende hoogte van de uitkering, is geen kernbeding. Deze voorwaarde moest dus wel degelijk op eerlijkheid getoetst worden.

De uiteindelijke conclusie is dat de voorwaarde niet zodanig oneerlijk is, dat de berekeningswijze veranderd hoeft te worden. De verzekeraar hoeft dus uiteindelijk niet extra uit te keren aan de verzekerde.

Informatie

  • Basis
  • EQF 5
  • Maandag 31 mei 2021
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships