Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Klein verzamelbesluit pensioenen

In de praktijk wordt een viertal knelpunten in de uitvoering van fiscale regelingen met betrekking tot pensioenen, loonstamrechten en oudedagsverplichtingen (ODV’s) gesignaleerd. In het Klein verzamelbesluit pensioenen worden deze knelpunten opgelost.

Het betreft de volgende knelpunten:

  1. Is een stichting een toegelaten uitvoerder van een ODV?
  2. Is een beleggingsonderneming een toegelaten uitvoerder van een loonstamrecht
  3. Is correctie van een samenloop van pensioenopbouw bij twee uitvoerders mogelijk?
  4. Is compensatie voor de waardestijging van de aandelen bij afkoop of omzetting van pensioen in een ODV te beschouwen als loon?

In onderhavig besluit worden deze vragen, al dan niet voorzien van goedkeuringen en voorwaarden, beantwoord.

Ad 1. Een stichting als toegelaten uitvoerder van een ODV

Vóór de uitfasering van pensioen in eigen beheer (uitfasering PEB) kwalificeerden alleen eigenbeheerlichamen die de pensioenverplichting voor de heffing van de vennootschapsbelasting tot het binnenlands ondernemingsvermogen rekenden als toegelaten verzekeraar. Een stichting die een pensioenregeling uitvoerde, kwalificeerde ook als toegelaten uitvoerder, aangezien het uitvoeren van een pensioenregeling gelijkgesteld werd aan het drijven van een onderneming, waardoor ook de stichting onderworpen was aan de heffing van vennootschapsbelasting.

De vraag is nu of deze redenering ook opgaat voor het uitvoeren van een ODV door een stichting? 

Als de stichting al vóór de uitfasering PEB uitvoerder van de pensioenregeling was, welke vervolgens is omgezet in een ODV, dan kwalificeert de stichting ook als toegelaten uitvoerder van een ODV. Echter, wanneer de ODV van een eigenbeheerlichaam wordt overgedragen naar een stichting, is sprake van een belastbare afkoop. 

Ad. 2 Een beleggingsonderneming als toegelaten uitvoerder van een loonstamrecht

In de Wet uitfasering PEB en overige fiscale pensioenmaatregelen is de kring van toegelaten aanbieders voor lijfrenteproducten uitgebreid met de beleggingsondernemingen. Beleggingsondernemingen werden echter niet toegevoegd aan het rijtje toegelaten uitvoerders van een loonstamrecht. Dit wordt nu hersteld.

Vooruitlopend op nadere wetgeving wordt goedgekeurd dat een beleggingsonderneming kwalificeert als een toegelaten uitvoerder van loonstamrechten (artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964, tekst 31 december 2013) en daarmee gelijkgestelde bedragen, die waren gestort op een geblokkeerde stamrechtspaarrekening of ter verkrijging van een geblokkeerd stamrechtbeleggingsrecht (artikel 11a, eerste lid, Wet LB 1964, tekst 31 december 2013).

Ad 3. Correctie samenloop pensioenopbouw

Het komt regelmatig voor dat werkgevers onterecht premies aan meer dan één pensioenuitvoerder afdragen.

Dat is bijvoorbeeld het geval als een werkgever, naast de normale premiebetalingen, ook premiebetalingen doet aan een bepaald pensioenfonds onder de onjuiste veronderstelling dat deelname aan dat pensioenfonds verplicht gesteld is. Deze premiebetalingen zijn onverschuldigd betaald als de werkgever onder de verplichtstelling valt bij een ander pensioenfonds.

Een gelijktijdige deelname aan meer dan één verplichte gestelde pensioenregeling is immers niet mogelijk. De deelname en pensioenopbouw aan het niet verplichtgestelde pensioenfonds zijn dan van rechtswege nooit tot stand gekomen.

Ook komt het voor dat een werkgever de pensioenregeling ten onrechte geheel of gedeeltelijk uit laat voeren door een verzekeraar, terwijl ook wordt deelgenomen aan een verplicht gestelde regeling van een bedrijfstak- of beroepspensioenfonds. In deze gevallen is echter geen sprake van onverschuldigde betaling. Enerzijds ontstaan de pensioenaanspraken ingevolge een verplichte gestelde regeling van rechtswege, ook als daarvoor geen premies zijn betaald; anderzijds is de pensioenregeling bij de verzekeraar rechtens tot stand is gekomen.

Strikt genomen leidt deze situatie van samenloop van pensioenopbouw in twee regelingen tot fiscale bovenmatigheid, met alle gevolgen van dien. Daarom is het redelijk dat pensioenuitvoerders en deelnemers de pensioenregeling zodanig kunnen aanpassen dat dit geen nadelige fiscale gevolgen heeft en weer voldaan wordt aan de eisen van de fiscale wet- en regelgeving.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee situaties waarin aanpassing plaatsvindt:

  1. Overdracht van het bij de verzekeraar opgebouwde pensioenkapitaal naar het verplichtgestelde pensioenfonds
  2. Het verlenen van vrijstelling van de verplichtstelling door het desbetreffende verplichtgestelde pensioenfonds

Beide mogelijkheden zijn onderworpen aan een aantal voorwaarden.

Waardeoverdracht

Bij waardeoverdracht van het bij de verzekeraar opgebouwde pensioenkapitaal naar het verplichtgestelde pensioenfonds moeten in eerste instantie alle bij die waardeoverdracht betrokken partijen (verplichtgesteld pensioenfonds, verzekeraar, werkgever en deelnemers) akkoord gaan met de waardeoverdracht.  Daarnaast gelden de volgende voorwaarden:

  • De verzekeraar draagt de opgebouwde pensioenaanspraken over naar het verplichtgestelde pensioenfonds
  • Het verplichtgestelde pensioenfonds behandelt het overgedragen pensioenkapitaal als een inkomende waardeoverdracht
  • Na overdracht blijven alleen aanspraken bestaan ingevolge het pensioenreglement van het verplichtgestelde pensioenfonds en bestaan er geen pensioenaanspraken meer bij de verzekeraar
  • De aanspraken bij het verplichtgestelde pensioenfonds blijven na overdracht van het pensioenkapitaal en eventueel door de werkgever verrichte extra premiestortingen, binnen de fiscale kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB 1964.
  • Is de waarde van de over te dragen pensioenaanspraken hoger dan de aan het verplichtgestelde pensioenfonds verschuldigde premies over de tot aan overdracht verstreken diensttijd, dan kan deze overdracht niet leiden tot het ontstaan van extra pensioengevende diensttijd

Deze optie resulteert dus in enkel opgebouwde pensioenrechten bij het verplichtgestelde pensioenfonds.

Vrijstelling van verplichtstelling

Anderzijds is het ook mogelijk dat enkel bij de verzekeraar opgebouwde pensioenrechten ontstaan als het verplichtgestelde pensioenfonds, met terugwerkende kracht, vrijstelling van verplichte deelneming verleent. Ook hier geldt in eerste instantie de voorwaarde dat alle betrokken partijen (verplichtgesteld pensioenfonds, verzekeraar, werkgever en werknemers) akkoord gaan met de vrijstelling.

Daarnaast gelden de volgende voorwaarden:

  • De werkgever verricht voor zover nodig extra premiestortingen om de bij de verzekeraar verzekerde pensioenregeling actuarieel gelijkwaardig te maken
  • Het verplichtgestelde pensioenfonds verleent vrijstelling van de verplichtstelling als bedoeld in het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000
  • De bij de verzekeraar ondergebrachte pensioenregeling blijft binnen de fiscale kaders van hoofdstuk IIB Wet LB 1964

Bij het verlenen van vrijstelling voor verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds beroepspensioenregeling komt echter meer kijken dan hier wordt vermeld. In het Vrijstellings- en boetebesluit Bpf wordt onder andere aangegeven dat voor het verlenen van vrijstelling als voorwaarde geldt dat sprake moet zijn van een gelijkwaardige regeling. Deze gelijkwaardigheidstoets is kwantitatief van aard, waarbij aan de hand van berekeningen wordt getoetst op actuariële- en financiële gelijkwaardigheid van de basisregeling. Deze berekeningen vinden plaats op grond van bijlage 3 bij het Vrijstellings- boetebesluit Wet Bpf 2000.

Ad 4. Compensatie bij afkoop of omzetting pensioen in eigen beheer

In het kader van de Wet uitfasering PEB was het mogelijk om in de periode van 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 het in eigen beheer verzekerde deel van het opgebouwde pensioen af te kopen of om te zetten in een ODV. Deze afkoop of omzetting kon tegen fiscale waarde plaatsvinden.

Als gevolg van deze handeling (afkoop/omzetting) stijgt de waarde van de aandelen van het eigenbeheerlichaam. Immers de afkoop of omzetting vindt tegen fiscale waarde plaats, terwijl de commerciële waarde van de pensioenverplichting uit de boeken verdwijnt.

Als de pensioengerechtigde DGA niet de (enige) aandeelhouder van het eigenbeheerlichaam was, impliceerde dit dat de (andere) aandeelhouder(s) werd(en) bevoordeeld door de pensioengerechtigde DGA. Zonder passende compensatie was dan sprake van een (belastbare) schenking.

Deze schenking kon worden voorkomen door de pensioengerechtigde DGA een passende compensatie te bieden voor die waardestijging van de aandelen. Deze compensatie kon dan op haar beurt weer kwalificeren als loon. Zo kon het gebeuren dat in bepaalde situaties de compensatie als loon werd aangemerkt, terwijl de afkoop of omzetting van de pensioenverplichting niet had geleid tot een verhoging van de verkrijgingsprijs van de aandelen.

Aangezien deze situatie ongewenst is, wordt goedgekeurd dat de passende compensatie bij de pensioengerechtigde DGA onder de volgende voorwaarden niet wordt aangemerkt als loon:

  1. De geboden compensatie is passend en terug te voeren op de waardestijging van de aandelen in het eigenbeheerlichaam als gevolg van het afkopen of omzetten van de in eigen beheer verzekerde van pensioenaanspraken in het kader van de wet uitfasering PEB
  2. De compensatie leidt niet tot een verhoging van de verkrijgingsprijs van de aandelen in het eigenbeheerlichaam op grond van artikel 34e, derde lid, Wet Vpb 1969

Bovenstaande goedkeuring geldt ook als het eigenbeheerlichaam een stichting is.

Inwerkingtreding

Het Klein verzamelbesluit pensioenen is op 15 december 2020 inwerking getreden en kent ten aanzien van de toegelaten uitvoerders van een ODV of van loonstamrechten terugwerkende kracht tot 1 april 2017.

Informatie

  • Pensioen
  • Dinsdag 2 maart 2021
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships