Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Leemte in de vaststellingsovereenkomst?

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of een werknemer ondanks de inhoud van de vaststellingsovereenkomst toch aanspraak kan maken op een aanvullende vergoeding. Wat was er precies aan de hand?

Feiten
De werknemer is van 1990 tot 2015 als verkeersvlieger in dienst geweest bij Martinair. In verband met de krimpende arbeidsmarkt heeft Martinair te maken gekregen met een overbezetting. Om deze boventalligheid op te lossen en gedwongen ontslagen te voorkomen heeft Martinair in overleg met de Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers een pakket aan maatregelen uitgerold. Een van deze maatregelen was een vrijwillige vertrekregeling, de VVR 2014.

 

Voordat de VVR 2014 werd uitgerold, heeft Martinair de VVR 2014 voorgelegd aan de Belastingdienst, om de Belastingdienst te laten beoordelen of er sprake was van een Regeling Vervroegd Uittreden (hierna: RVU). Een RVU is een regeling die nagenoeg uitsluitend als doel heeft een financiële overbrugging te verzorgen voor de periode van ontslag tot aan de ingangsdatum van het pensioen of AOW. Omdat de overheid wil voorkomen dat werkgevers vooral oudere werknemers ontslaan, beboet de Belastingdienst de werkgever met een heffing van 52% als er sprake is van een RVU, naast de belasting die de werknemer verschuldigd is over de ontvangen ontslaguitkering.

De Belastingdienst komt tot het oordeel dat de VVR 2014 in beginsel kan worden gekwalificeerd als een RVU. Op 6 juni 2014 heeft Martinair de VVR 2014 aan alle verkeersvliegers toegestuurd. In de begeleidende brief is de navolgende passage opgenomen “ik wil graag expliciet bij u onder de aandacht brengen dat de regeling geldt onder het voorbehoud dat er op individueel niveau geen sprake is van een zogenaamde Regeling Vervroegd Uittreden”. In artikel 2 van de VVR 2014 is samengevat een beëindigingsvergoeding opgenomen die overeenkomt met de oude kantonrechtersformule op basis van C= 1,35. Indien onverkorte toepassing van de VVR 2014 zal leiden tot een RVU, zullen Martinair en de vlieger in overleg treden om binnen de grenzen van de fiscale wet- en regelgeving de mogelijkheden te onderzoeken om te voorkomen dat er sprake is van een RVU c.q. zal de beëindigingsvergoeding worden aangepast.

 

De werknemer heeft op 18 juni 2014 een e-mail van Martinair gekregen waarin is geschreven dat binnen de kwantitatieve 55-jaar toets die de Belastingdienst hanteert de beëindigingsvergoeding maximaal € 471.454,21 bruto kan bedragen.

De werknemer wil gebruik maken van de VVR 2014 Regeling. Martinair heeft per e-mail van 22 juli 2014 werknemer het volgende gemeld: “u heeft aangegeven dat u alsnog gebruik wil maken van de VVR Regeling”. In het geval van de werknemer is gebleken dat de onverkorte toepassing van deze vertrekmogelijkheid tot een RVU zou leiden. Voorgaande betekent dat de beëindigingsvergoeding is vastgesteld op € 441.917,25.
Op 10 augustus 2014 heeft werknemer een vaststellingsovereenkomst met Martinair gesloten. In de vaststellingsovereenkomst staat: “Partijen hebben derhalve afspraken gemaakt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen daarvan, een en ander gebaseerd op de VVR Protocol 2014. De in artikel 2 opgenomen beëindigingsvergoeding ter grootte van € 441.917,25 bruto zal Martinair aan werknemer voldoen”.

 

Martinair heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de Belastingdienst om de vertrekregelingen van een aantal individuele vliegers als een RVU aan te merken. Ten aanzien van werknemer is geen bezwaar gemaakt, omdat het aan werknemer uitgekeerde bedrag onder het maximale bedrag van de kwantitatieve toets viel. De Belastingdienst heeft met uitzondering van één geval de bezwaren ongegrond verklaard. Martinair is in beroep gegaan tegen de beslissing van de Belastingdienst. De Belastingkamer heeft hierop geoordeeld dat de VVR regeling niet kan worden bestempeld als een RVU.

 

Beoordeling
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of werknemer, ondanks de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, toch aanspraak kan maken op een aanvullende vergoeding. Volgens de werknemer kent de vaststellingsovereenkomst een leemte in die zin dat partijen bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst geen rekening hebben gehouden met de situatie dat de aan de werknemer op basis van de VVR aangeboden vergoeding niet als RVU zou worden gekwalificeerd. Nu door de onherroepelijke uitspraak van de Belastingkamer is komen vast te staan dat de VVR niet als RVU heeft te gelden, moet de leemte in de vaststellingsovereenkomst op grond van goed werkgeverschap in die zin worden aangevuld dat aan werknemer alsnog een vergoeding toekomt op basis van artikel 2 VVR. Martinair betwist dat.

De stelling van Martinair dat eiser geen aanvullende vergoeding conform de VVR toekomt, omdat aan hem na sluitingsdatum voor deelname aan de VVR een individuele vertrekregeling is aangeboden, los van de VVR faalt. Het is op zich juist dat de werknemer op het tijdstip na de deadline heeft aangegeven dat hij alsnog gebruik wilde maken van de VVR, maar dat betekent niet dat de regeling niet meer op hem van toepassing moet worden geacht. Martinair heeft eiser overeenkomstig de VVR behandeld, in de vaststellingsovereenkomst wordt verwezen naar de VVR en de vergoeding is berekend overeenkomstig de VVR, waarbij rekening is gehouden met de toepasselijkheid van de RVU. Dit betekent evenwel niet dat eiser aanspraak kan maken op een vergoeding overeenkomstig artikel 2 VVR (de vergoeding zonder “RVU-aftrek”). Daaraan staat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst in de weg.

 

Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt bestemd, om ook te gelden voor zover zij van tevoren van de bestaande rechtstoestand mocht afwijken. Uitleg van een vaststellingsovereenkomst vindt plaats aan de hand van het Haviltex-criterium, waarbij voor beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld, en of deze overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

De bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst wijzen erop dat daarmee is beoogd een algemene en finale regeling te treffen van alle mogelijke tussen partijen bestaande en toekomstige geschillen, zowel voorzienbaar als onvoorzienbaar. Het belang van Martinair is evident; zij wilde weten waar ze aan toe zijn met betrekking tot de hoogte van de ontslagkosten en niet achteraf wordt geconfronteerd met navorderingen.


De werknemer heeft ondanks de nadelige beslissing van de Belastingdienst, er voor gekozen vrijwillig te vertrekken en om de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen zonder enig voorbehoud te maken. Dit, terwijl uit de vaststellingsovereenkomst is afgeleid dat aan de werknemer de mogelijkheid van het maken van een voorbehoud uitdrukkelijk is geboden, en dit, ondanks het verzoek om op tijd ‘de RVU aan te vechten’. Naast het gegeven dat eiser een voorbehoud had kunnen maken, had eiser ook van de vaststellingsovereenkomst af kunnen zien, als hij het bedrag van € 471.454,21 onvoldoende vond. Die mogelijkheid werd immers geboden in artikel 5 sub c VVR.

 

Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een leemte in de vaststellingsovereenkomst. De door eiser verzochte aanvullende vergoeding zal aldus niet worden toegewezen op de primaire grondslag, omdat geenszins is gesteld of gebleken is dat Martinair heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap door eiser een aanvullende vergoeding te onthouden. Ook het subsidiaire vordering van de werknemer, te weten dwaling wordt door de kantonrechter afgewezen. Martinair heeft haar mededelingsplicht niet geschonden.

 

Conclusie

Er is geen leemte in de vaststellingsovereenkomst, nu de vaststellingsovereenkomst blijft gelden ook voor zover van tevoren van een bestaande rechtstoestand is afgeweken. Dat de Belastingkamer na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tot het oordeel is gekomen dat de VVR regeling niet kan worden bestempeld als een RVU, betekent nog niet dat hiermee een leemte is ontstaan in de vaststellingsovereenkomst.

 

Rechtbank Noord-Holland d.d. 5 december 2018 ECLI:NL:RBNHO:2018:11608

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Algemeen, Financieren, Toekomstvoorzieningen, Ik ga meer/minder verdienen, Uit dienst/Ontslag, 5 jaar voor je pensioendatum, Ik ga met pensioen, Diversen
  • Maandag 18 maart 2019
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships