Lening aan zoon van DGA is onzakelijk

Hof Arnhem-Leeuwaren heeft op 20 oktober 2020 uitspraak gedaan of een lening, die door een bv aan de ib-onderneming van de zoon van haar DGA is verstrekt, onzakelijk is, waardoor de bv de afwaardering van deze lening niet in aftrek op haar winst kan brengen.

Belanghebbende is een bv die in 2009 een lening heeft verstrekt aan de ib-onderneming van de zoon van haar DGA. Deze onderneming maakt echter alleen maar verlies. De onderneming en haar crediteuren sluiten in 2014 een vrijwillig crediteurenakkoord. Per crediteur wordt 15% van de hoofdsom betaald. Het restant wordt kwijtgescholden. Dit betekent voor belanghebbende een afwaardering van haar vordering met € 535.500.

Belanghebbende brengt de afwaardering in mindering op haar winst. De inspecteur heeft deze afwaarderingslast echter gecorrigeerd, omdat volgens de inspecteur sprake is van een geldverstrekking onder onzakelijke voorwaarden.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat belanghebbende bij de geldverstrekking aan de zoon een debiteurenrisico heeft aanvaard, dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard (onzakelijk debiteurenrisico). Daarbij wijst het hof op de jaarlijkse verliezen van de onderneming, de uit de balans van de onderneming per begin 2009 blijkende beperkte waarde van de tot zekerheid dienende bedrijfsactiva en het negatieve eigen vermogen van de zoon. Het hof acht het ook niet aannemelijk dat er een - niet-winstdelende - rente is te bepalen waarbij een onafhankelijke derde de geldlening aan de zoon wel zou hebben verstrekt.

Belanghebbende mag de afwaardering van de vordering derhalve niet in mindering op de winst brengen.

Informatie

  • Fiscaal: Wet Vpb
  • Maandag 2 november 2020