Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Maatschapsaandeel van 1% voldoende voor doorschuiffaciliteit AB

Wanneer aanmerkelijkbelangaandelen worden geschonken aan een kind, kan de aanmerkelijkbelangclaim onder bepaalde voorwaarden worden doorgeschoven. Een van de voorwaarden is dat de bv waarvan de aandelen worden geschonken een materiële onderneming drijft.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 3 maart 2020 geoordeeld of er bij een maatschapsaandeel van 1% sprake kan zijn van een materiële onderneming.

Doorschuiffaciliteit artikel 4.17c Wet IB 2001

Wanneer aanmerkelijkbelangaandelen worden geschonken dan wel tegen een te lage prijs worden verkocht, kan de schenker (de overdragende aanmerkelijkbelanghouder) op grond van artikel 4.17c lid 1 Wet IB 2001 de aanmerkelijkbelangclaim onder voorwaarden doorschuiven naar de verkrijger(s). De verkrijgingsprijs van de aandelen die voor de overdragende aanmerkelijkbelanghouder geldt, wordt dan doorgeschoven naar degene die de aandelen verkrijgt.

 

De voorwaarden voor toepassing van de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17c Wet IB 2001 zijn:

  1. Er is sprake van een overgang van een aanmerkelijk belang
  2. De betreffende vennootschap houdt een materiële onderneming (ondernemingsvermogen)
  3. De verkrijger dient minimaal 36 maanden in dienst te zijn bij de vennootschap waarin hij de aandelen verkrijgt (de dienstbetrekkingseis)
  4. De overdragende aanmerkelijkbelanghouder en de verkrijger(s) verzoeken gezamenlijk om toepassing van de doorschuiffaciliteit

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 3 maart 2020 uitspraak gedaan of er bij een maatschapsaandeel van 1% sprake kan zijn van een materiële onderneming waardoor de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17c Wet IB 2001 van toepassing kan zijn.

Uitspraak Hof Arnhem-Leeuwarden

Casus

Belanghebbende is DGA. Zijn bv houdt alle aandelen in een andere bv. Deze bv vormt samen met belanghebbende en zijn zoon sinds 1 januari 2003 een maatschap. Hierin wordt voor gezamenlijke rekening een landbouwbedrijf geëxploiteerd. Het aandeel van de bv is 1%. Per 1 januari 2012 is belanghebbende uit de maatschap getreden. 

 

Belanghebbende verkoopt in november 2014 de aandelen in zijn bv aan zijn zoon voor € 433.724. De zoon blijft de koopsom schuldig. Deze schuld wordt vervolgens onmiddellijk door belanghebbende kwijtgescholden.

Aan de zoon is een navorderingsaanslag in de schenkbelasting opgelegd inzake een verkrijging van € 533.724, waarvan € 100.000 is vrijgesteld en € 433.724 voorwaardelijk is vrijgesteld vanwege de toegepaste bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet.

 

Door de schenking is er bij belanghebbende sprake van een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van € 396.530. In januari 2016 verzoekt belanghebbende de inspecteur om toepassing van artikel 4.17c Wet IB 2001 op dit voordeel. De inspecteur wijst dit verzoek echter af en legt een navorderingsaanslag inkomstenbelasting aan belanghebbende op.

In geschil is vervolgens of de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17c Wet IB 2001 kan worden toegepast. Rechtbank Noord-Nederland heeft belanghebbende op 21 februari 2019 in het ongelijk gesteld.

Overwegingen en oordeel hof

Hof Arnhem-Leeuwarden overweegt dat door de werking van artikel 4.17c Wet IB 2001 de overdracht van aandelen bij leven, waarbij artikel 4.22 Wet IB 2001 toepassing vindt, op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden onder voorwaarden niet als vervreemding in aanmerking worden genomen. Artikel 4.22 Wet IB 2001 betreft onder meer de situatie van een vervreemding of verkrijging waarbij de tegenprestatie ontbreekt. Die situatie is in het onderhavige geval in formele zin niet aan de orde.

In onderdeel 5.4.6 in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 4 september 2012 (zie externe links) heeft de Staatssecretaris van Financiën evenwel goedgekeurd dat artikel 4.17c Wet IB 2001 eveneens toepassing vindt in de situatie waarin aanmerkelijkbelangaandelen worden overgedragen tegen schuldigerkenning van de koopschuld waarna onmiddellijk kwijtschelding plaatsvindt van die koopschuld. Dit is ook niet meer in geschil.

In geschil is of de bv van belanghebbende een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001 drijft, of een medegerechtigdheid als bedoeld in artikel 3.3 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001 houdt (dat wil zeggen: de aanwezigheid van een materiële onderneming, de tweede voorwaarde van de doorschuiffaciliteit).

 

Voor het hof staat vast dat de bv van belanghebbende samen met belanghebbende en zijn zoon sinds 1 januari 2003 een maatschap vormden, waarin voor gezamenlijke rekening een landbouwbedrijf werd geëxploiteerd. De inspecteur heeft ter zitting bevestigd dat hij niet betwist dat de maatschap een materiële onderneming drijft. Hij staat evenwel een meer economische benadering voor, waarbij wordt gekeken naar de jaarstukken van de bv. Hieruit blijkt dat die vennootschap slechts een gerechtigdheid in de maatschap heeft van 1%.

 

Het hof stelt bij de beoordeling van het geschil voorop dat een maatschap voor de heffing van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting transparant is. De winst uit de door de maatschap gedreven (materiële) onderneming, dan wel de winst die de belastingplichtige, anders dan als ondernemer of aandeelhouder, als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming geniet uit een of meer (materiële) ondernemingen, moet voor de heffing van vennootschapsbelasting derhalve voor een evenredig deel aan de bv worden toegerekend. Anders dan de inspecteur meent, maakt de mate van gerechtigdheid, hoe gering ook, dat niet anders. De bv drijft door haar gerechtigheid in de maatschap een materiële onderneming.

 

Het hof oordeelt dan ook dat de faciliteit van artikel 4.17c Wet IB 2001 kan worden toegepast. Het gelijk is aan belanghebbende.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Fiscaal: Wet IB
  • EQF 7
  • Dinsdag 17 maart 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships