Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Nieuwe leennorm-methodiek CK vanaf 1 april 2021

In december 2020 werd duidelijk dat een nieuwe Leennormen-methodiek voor consumptieve kredieten nog niet op 1 januari 2021 kon ingaan. Er was nog te veel discussie tussen de VFN, NVB en AFM over invulling van de nieuwe methodiek om de maximale leencapaciteit te berekenen. Daarom was er tussen 1 januari en 1 april 2021 een tijdelijke oplossing voor deze rekenmethodiek. Vanaf 1 april 2021 geldt wel een nieuwe methodiek voor het berekenen van de maximale leencapaciteit. Die is complexer dan de huidige methodiek, omdat meer rekening gehouden wordt met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager.

Een algemene aanpassing wordt ingevoerd rondom de basisnorm, leennorm, bepaling van het inkomen en lasten ten behoeve van de kredietwaardigheidstoetsing van consumptieve kredieten. De aanpassingen zijn vastgesteld na afstemming met VFN, NVB, Nibud en AFM en zijn in werking getreden op 1 april 2021.

Deze staan in de nieuwe Gedragscode Consumptief Krediet, die geldt voor alle bij VFN en NVB aangesloten kredietverstrekkers. Alleen voor kredieten van € 1.000 of meer geldt de plicht om de gegevens van de klant te verifiëren. De reikwijdte verandert op zich dus niet.

Belangrijkste wijzigingen in algemene zin

De CK-leennormen moesten volgens de AFM aangescherpt worden, om een realistischer beeld te scheppen van de ruimte om de maandlasten van een krediet te betalen.

Dit betekent onder meer het volgende:

  • De basisnorm wordt uitgebreid. De basisnorm is het bedrag dat een huishouden minimaal aan inkomen moet hebben om rond te kunnen komen. De basisnorm is vanaf 1 april 2021 beter toegespitst op de persoonlijke situatie van de klant. Zo komt er voor elke gezinssituatie een basisnorm voor huurders en een aparte basisnorm voor eigenwoningbezitters
  • De leennorm wordt ook meer gespecificeerd per huishouden. De leennorm is het bedrag dat een huishouden na het afsluiten van een krediet minimaal moet overhouden, rekening houdend met een buffer. Vanaf 1 april 2021 geldt een bepaald opslagpercentage dat mede afhankelijk is van de persoonlijke situatie van de klant
  • De berekening blijft uitgaan van het netto maandinkomen. Ook dit netto maandinkomen moet echter vanaf 1 april 2021 preciezer worden vastgesteld
  • Uiteraard moet er rekening gehouden worden met bepaalde lasten. Vanaf 1 april 2021 wordt ook duidelijker beschreven met welke last in welke situatie rekening gehouden moet worden
  • De berekening van de maximale lening, nadat alle bovenstaande gegevens zijn vastgesteld, gebeurt sinds 1 april 2021 niet meer altijd door de resterende maandlast te vermenigvuldigen met 50. Dat is afhankelijk van het kredietsoort en de keuze van de kredietverstrekker

Basisnorm

De Basisnorm blijft bestaan. Dit is het bedrag per huishouden dat minimaal nodig is om van rond te komen.

Vanaf 1 april 2021 zijn er 8 basisnormen (tegenover 4 voor deze datum).

 

Alleenstaand

Alleenstaand met kinderen

Paar

Paar met kinderen

Huurders

1.071

1.732

1.562

2.030

Eigenwoningbezitters

1.181

1.842

1.673

2.140

Leennorm

Omdat de meeste mensen maandelijks meer uitgeven dan de basisnorm, bestaat er een leennorm: dit is een maandelijks bedrag dat dus iets hoger ligt dan de basisnorm, maar waar het huishouden niet onder mag komen door het afsluiten van een CK.

De nieuwe leennorm wordt:

Leennorm = basisnorm + opslagpercentage * ( inkomen – minimuminkomen)

Het opslagpercentage is gebaseerd op begrotingen van hogere inkomens. Hoe hoger iemands inkomen, hoe meer hij ook geneigd is geld uit te geven. Daaruit volgen de volgende leennormen, die afhankelijk zijn van:

  • Gezinssituatie
  • Inkomen
  • Huurder of eigenwoningbezitter

Dat leidt tot de volgende uitgangspunten en maximale leennormen:

 

Alleenstaand

Alleenstaand met kinderen

Paar

Paar met kinderen

Opslagpercentage

15%

12,5%

12,5%

10%

Minimuminkomen

1.523

1.523

1.523

1.523

Modaal inkomen

2.151

2.151

2.151 

2.151

1,5x modaal inkomen

2.822

2.822

2.822

2.822

Maximale leennorm Huurders

 

 

 

 

Modaal

1.181

1.896

1.661

2.149

Vanaf 1,5x modaal

1.287

1.973

1.742

2.207

Maximale leennorm Kopers

 

 

 

 

Modaal

1.291

2.007

1.772

2.259

Vanaf 1,5x modaal

1.397

2.083

1.853

2.317


Hierbij moet ook nog rekening gehouden worden met autobezit. U moet dus elke aanvrager van een consumptief krediet vragen of hij een auto heeft of leaset.

Daarnaast moet er voor woningbezitters bovendien opnieuw rekening gehouden worden met extra kosten voor het eigenwoningbezit. Die zitten dus nog niet geheel verwerkt in de Leennorm voor woningeigenaren.

Er zijn alles bij elkaar 36 extra mogelijke opslagen, afhankelijk van (de vorm van) het autobezit en het eigenwoningbezit, de gezinssituatie en het inkomen. Hieronder noemen wij eerst de 24 meest voorkomende: die van woningbezit en privé autobezit.

Surplus leennorm woning en privé auto

 

Alleenstaand

Alleenstaand met kinderen

Paar

Paar met kinderen

Surplus eigenwoningbezit

 

 

 

 

Tot modaal

60

60

60

60

1x tot 1,5x modaal

73

73

73

73

Vanaf 1,5x modaal

85

85

85

85

 

 

 

 

 

Surplus autobezit

 

 

 

 

Tot modaal

178

173

144

99

1x tot 1,5x modaal

162

152

134

91

Vanaf 1,5x modaal

130

116

116

83

Meerdere complicaties autobezit

Met betrekking tot de wijze waarop rekening gehouden moet worden met autobezit, wordt het nog iets ingewikkelder. Er zijn immers verschillende vormen van autobezit. Bovendien kan een gezin meerdere auto’s tot zijn beschikking hebben.

Private lease en auto van de zaak

Als iemand een private lease-auto heeft, moeten de in BKR (CKI) weergegeven lasten (van 65% van de werkelijke lasten) herrekend worden naar 100%, maar gecorrigeerd met een negatief surplus.

De auto-leasekosten worden als volgt berekend: (BKR-geregistreerd bedrag /0,65) -/- tabelbedrag. Het tabelbedrag vindt u hieronder.

Tabelbedrag private lease

 

 

 

 

Tot modaal

59

64

93

138

1x tot 1,5x modaal

75

85

103

146

Vanaf 1,5x modaal

107

121

121

154


Als de private lease-overeenkomst niet in BKR staat, dan zijn er twee opties:

  • Doorvragen naar het contract en de werkelijke lasten meenemen als correctie of
  • Eenmaal de surplus optellen bij de leennorm – het blijkt dan te gaan om de surplus ‘eigen auto’

Tot slot kan iemand ook nog een leaseauto via de werkgever hebben. In dat geval worden de fiscale bijtelling en eigen bijdrage meegenomen bij bepaling van het inkomen.

Er zijn vele combinaties van autobezit mogelijk. Zo geldt ook een aparte berekening voor auto’s die zakelijk geleaset zijn en privé gebruikt worden. Iemand kan daarnaast nog een eigen auto bezitten en mogelijk heeft de partner ook nog een private leaseauto. Het gaat te ver die allemaal apart te benoemen in dit bericht. In de FAQ en Toelichting leennormen is in een tabel weergegeven hoe in 16 situaties moet worden berekend hoe het autobezit meeweegt in de leencapaciteit.

Woonlasten

Er zijn ook zaken die minder ingrijpend veranderen, zoals de bepaling van de woonlasten. Let op: deze woonlasten zijn dus niet verwerkt in de aparte basis- of leennorm, dan wel de surplustabellen. Alleen appartementseigenaren met een VvE hoeven geen rekening te houden met extra VvE-lasten bovenop de woonlasten: die zijn wel verwerkt in de basisnorm woningeigenaren.

De werkelijke woonlasten worden vastgesteld op basis van de werkelijke kosten, deze mogen forfaitair worden gecorrigeerd voor de hypotheekrenteaftrek.

Vanaf een hypothecaire bruto maandlast van €350 mag de volgende aftrek in mindering worden gebracht:

  • 10% van de bruto maandlast bij inkomens tot 1,5x modaal
  • 15% van de bruto maandlast bij inkomens vanaf 1,5x modaal

waarbij deze forfaitair gecorrigeerde woonlast ten minste €350 per maand dient te bedragen. Bij een bruto woonlast tot en met €350 wordt de werkelijke bruto last als woonlast gehanteerd (‘bruto = netto'). Een aanbieder mag er ook voor kiezen om uit te gaan van de werkelijke hypotheekrenteaftrek, waarbij de grens van €350 zoals hierboven toegelicht, in acht genomen wordt.

Inwonende klanten

Bij het vaststellen van woonlasten van inwonende klanten, dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de klant gedurende de looptijd niet langer inwonend zal zijn. De woonlasten voor een inwonende klant worden vastgesteld door 30% van het netto inkomen als woonlast mee te nemen met een maximum van €750.

In die gevallen waar het aannemelijk is dat de inwonende situatie bestendig is gedurende de looptijd van het krediet én de klant een leeftijd van 30 jaar heeft bereikt, dan zijn er twee opties voor vaststelling van de woonlasten waarbij geldt dat de strengste optie wordt meegenomen middels een explain:

  • Eventueel opgegeven lasten (zoals kostgeld, kamerhuur) of
  • 150% van de norm woonlast van het Nibud

De norm woonlast is € 233.

Kinderopvang

Kinderopvangkosten worden niet specifiek gebudgetteerd in de minimum- en voorbeeldbegrotingen van het Nibud. In de nieuwe leennorm methodiek worden kinderopvangkosten op de volgende wijze gebudgetteerd:

  • Kinderen die naar de (dag)opvang gaan zijn jonger dan kinderen in de voorbeeldbegroting die als basis dient voor de basisnorm (twee kinderen van 6 en 14 jaar). Met dit gegeven moet rekening worden gehouden in de leennorm methodiek. ‘Oudere’ kinderen brengen namelijk hogere kosten met zich mee dan jongere kinderen. Voor de kinderopvangkosten is er een vergelijking gemaakt tussen de gehanteerde voorbeeldbegroting in de basisnorm en een voorbeeldbegroting die uit gaat van kinderen in de leeftijd van 3 en 5 jaar. Hieruit blijkt dat voor een paar met kinderen in de leeftijd van 3 en 5 jaar, de maandelijkse kosten € 212 lager uitvallen. Voor een alleenstaande met kinderen vallen de kosten € 200 lager uit. Deze bedragen kunnen dus ‘ingezet‘ worden ter (gedeeltelijke) financiering van opvangkosten
  • Het saldo bedrag aan netto kinderopvangkosten, na verrekening van € 212 euro of € 200, komt als surplus bedrag bovenop de leennorm en telt dus mee in de inkomens- en lastentoetsing

De bruto kinderopvangkosten en kinderopvangtoeslagen moeten worden uitgevraagd bij de klant en geverifieerd op het bankafschrift of via een uitdraai van de kinderopvang.

Het surplus kinderopvangkosten is dan:

Bruto kosten -/- kinderopvangtoeslag -/- €200 of € 212.

Het bedrag mag niet negatief zijn; als de uitkomst negatief is, wordt deze gesteld op 0.

Alimentatie

Een ontvanger van alimentatie mag deze inkomsten meetellen met het inkomen als de duur ten minste gelijk is aan de looptijd van de lening. Voor partneralimentatie geldt wel dat deze naar netto herrekend moet worden.

Wanneer iemand alimentatie moet betalen, moet hiermee ook rekening worden gehouden in de vorm van een lastencorrectie. Kinderalimentatie is netto, dus die werkelijke last moet meegenomen worden. Partneralimentatie is bruto. Daarom mag rekening gehouden worden met de aftrekbaarheid. Omdat de aftrek afgebouwd wordt (de tariefmaatregel), mag maximaal rekening gehouden worden met een aftrek van 37,05%, ook als de aftrek op dit moment nog hoger is (in 2021 nog maximaal 43%).

Studieleningen

Wanneer iemand een studieschuld (ook wel studielening of DUO-lening) heeft, dan moeten de werkelijke lasten daarvan ook meegenomen worden. Het kan zijn dat iemand wel een studieschuld heeft, maar nog niet aflost. De werkelijke lasten zijn dan dus nihil. Toch moet er dan rekening gehouden worden met de (toekomstige) lasten via een forfaitair percentage van de schuld. Dit percentage is afhankelijk van de soort studielening:

  • Studieleningen onder het oude leenstelsel (voor 1 juli 2015): 0,75%
  • Studieleningen van na 1 juli 2015: 0,45%

Let op: dit zijn andere lastencorrectiepercentages dan gelden voor een hypothecair krediet in 2021.

Vaststellen inkomen

Het inkomen dat gebruikt wordt voor de berekening van de Maximale Toegestane Maandlast voor Kredietverstrekking, wordt gebaseerd op het netto inkomen (inclusief vakantietoeslag) van de consument. Daarnaast mogen zorgtoeslag, huurtoeslag, kindgebonden budget, kinderbijslag en de inkomensafhankelijke combinatiekorting hierbij opgeteld worden.

Ook mogen bepaalde vermogensinkomsten opgeteld worden, zoals inkomen uit verhuur of lijfrenten.

Voor een uitgebreide uitleg over de wijze van vaststelling van het toetsinkomen voor CK, verwijzen wij u naar de links.

Hoogte van de maximale lening

Wanneer de maximale maandlast uiteindelijk berekend is, na toepassing van alle bovenstaande aspecten, moet nog nagegaan worden hoe hoog de maximale lening is.

In beginsel blijft ook die vaststelling hetzelfde: de maximale lening is 50 x de maximale maandlast. Dit geldt altijd voor Doorlopende Kredieten. Het is niet toegestaan om een hogere lening te verstrekken, ook niet als de werkelijke rente lager is.

Voor nieuw af te sluiten Aflopende Kredieten geldt dezelfde hoofdregel. Daar mag echter van afgeweken worden.

De kredietaanbieder kan ook uitgaan van de werkelijke maandlasten van het nieuw af te sluiten Aflopende Krediet. In beide situaties mag de werkelijke last niet hoger zijn dan de berekende aflossingscapaciteit conform de leennormenmethodiek.

Indien een klant weloverwogen een keuze wil maken om een kortere looptijd te kiezen en daarmee een hogere werkelijke last aan te gaan dan de aflossingscapaciteit aangeeft, dan dient de aanbieder hiervoor aanvullende maatregelen te treffen. De aanbieder moet in ieder geval de klant erop wijzen dat een hogere maandlast wordt aangegaan dan de maandlast die volgt uit de leennormenmethodiek. Daarnaast dienen aanbieders in hun beheerprocessen het voor deze klanten altijd mogelijk te maken om naar een langere looptijd met lagere maandlasten te gaan zoals berekend via de leennormenmethodiek waarbij het bestedingsdoel in acht wordt genomen.

Daar waar de aanbieder de werkelijke maandlasten van een nieuw af te sluiten Aflopend Krediet wenst te hanteren bij het bepalen van het maximaal te verstrekken krediet gelden twee aanvullende bepalingen. De te hanteren maandlast mag niet lager zijn dan 2% van de slottermijn, en de te hanteren maandlast mag niet lager zijn dan de werkelijke last van een vergelijkbaar Aflopend Krediet met een looptijd van 96 maanden.

Informatie

  • Consumptief Krediet
  • EQF 6
  • Donderdag 15 april 2021
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships