Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Nieuwe Leidraad Wwft en toelichting AFM

In Europees verband wordt voortdurend gepoogd de wet- en regelgeving aan te scherpen om witwassen en het financieren van terrorisme tegen te gaan. Daartoe is de Leidraad van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft-leidraad) aangepast.

De laatste aanpassing is op 27 juli 2020 gepubliceerd, vanwege de inwerkingtreding van de vierde anti-witwasrichtlijn op 25 juli 2018. De Wwft is toen zelf ingrijpend veranderd en twee jaar later wordt daarop de leidraad aangepast. De AFM kwam op 19 oktober 2020 met een toelichting, omdat veel financiële dienstverleners daar behoefte aan hebben. Bovendien is de Wwft zelf onlangs (op 15 oktober 2020) opnieuw aangepast op enkele punten.

De nieuwe Wwft-leidraad was nodig in verband met de invoering van het UBO-register, waarover u al eerder bericht bent (zie externe links). De wijzigingen in de leidraad die op dit UBO-register betrekking hebben, behandelen we hier niet opnieuw.

De gehele Wwft-leidraad beslaat 60 pagina’s. Hiermee wordt de vierde anti-witwasrichtlijn verder geïmplementeerd. Inmiddels is deze vierde richtlijn alweer herzien, wat mogelijk opnieuw zal leiden tot een herpublicatie van de Wwft-leidraad. Wanneer die komt en wat de inhoud daarvan is, is nu nog niet bekend.

In dit artikel beperken we ons tot de meest relevante wijzigingen sinds 21 juli 2020 voor de praktijk van een medewerker in de financiële dienstverlening. Het gaat daarbij om deze twee aanpassingen:

  1. In het cliëntenonderzoek
    Hierbij is het meest relevant dat u zich realiseert dat er tegenwoordig altijd een cliëntenonderzoek gedaan moet worden, ook als sprake is van een laag risico
  2. In het melden van een ongebruikelijke transactie
    Hierbij is het meest relevant dat u weet dat er voor bepaalde partijen veel eigen verantwoordelijkheid wordt verwacht over de vaststelling of een transactie ongebruikelijk is of niet

Tot slot benoemen we nog de relevante bewaartermijn voor Wwft-gerelateerde informatie.

Aanpassingen cliëntenonderzoek

Algemeen

De Wwft schrijft voor dat een instelling een cliëntenonderzoek moet uitvoeren voordat zij een zakelijke relatie aangaat of een bepaalde transactie uitvoert. De achtergrond hiervan is dat instellingen alleen relaties aan moeten gaan met of transacties uitvoeren voor personen die hun integriteit niet kunnen schaden.

Het cliëntenonderzoek stelt de instelling in staat om:

  • De cliënt te identificeren
  • Diens identiteit te verifiëren
  • De uiteindelijke belanghebbende (UBO) te identificeren en diens identiteit te verifiëren
  • Doel en beoogde aard van de zakelijke relatie vast te stellen
  • De zakelijke relatie en zijn transacties te monitoren, met indien nodig onderzoek naar de bron van de middelen die bij de relatie of de transactie gebruikt worden
  • Vast te stellen of de natuurlijke persoon die de cliënt vertegenwoordigt daartoe bevoegd is en deze persoon te identificeren en diens identiteit te verifiëren

Let wel: Een ‘cliënt’ is:

  1. De natuurlijk persoon of rechtspersoon met wie de Wwft-instelling een zakelijke relatie aangaat
  2. De natuurlijk persoon of rechtspersoon die een transactie door de Wwft-instelling laat uitvoeren

Aanpassing risicogebaseerde benadering – altijd cliëntenonderzoek

In de vorige richtlijn was er al een risicogebaseerde benadering binnen de mate waarin het cliëntenonderzoek gedaan moest worden. Op grond daarvan was het mogelijk om een cliëntenonderzoek achterwege te laten als er sprake was van een laag risico.

Dat kan sinds de nieuwe richtlijn niet meer. Het cliëntenonderzoek kan in geval van laag risico dus niet meer achterwege worden gelaten. Het cliëntenonderzoek moet nu nog meer gebaseerd zijn op een risicoweging, mede op grond van de in de vierde anti-witwasrichtlijn geïdentificeerde risicofactoren.

Het blijft wel mogelijk om een vereenvoudigd cliëntenonderzoek te verrichten, maar er worden in de Wwft niet langer typen cliënten aangewezen voor wie een vereenvoudigd cliëntenonderzoek voldoende is. In plaats daarvan moet een instelling voor het aangaan van een zakelijke relatie of het verrichten van een transactie een risicobeoordeling uitvoeren. Als daaruit volgt dat sprake is van een aangetoond laag risico, kan volstaan worden met het treffen van vereenvoudigde cliëntenonderzoeksmaatregelen. Het cliëntenonderzoek kan dus in geen geval achterwege blijven, maar op basis van de risicogevoeligheid van een cliënt, transactie, product of dienst moet een instelling bepalen hoe verstrekkend de maatregelen zijn. Hierbij houdt de instelling ook rekening met het doel van een rekening of een relatie, de omvang van de activa die door een cliënt worden gedeponeerd of de omvang van de gesloten transacties, en de regelmaat of de duur van de zakelijke relatie.

Als een cliënt al vóór de nieuwe richtlijn (dus voor 25 juli 2018) was geaccepteerd zonder cliëntenonderzoek, moet de relatie opnieuw onderzocht worden. Dat moet ‘bij de eerste gelegenheid’. De AFM licht toe dat er in veel gevallen sprake is van een ‘eerste gelegenheid’ bij het eerstvolgende klantcontact. De ‘eerste gelegenheid’ is echter ook het moment waarop de instelling op grond van de risicogevoeligheid van de cliënt aanleiding heeft om cliëntenonderzoek te doen. Bestaande cliëntendossiers moeten op risico gebaseerde wijze worden herzien, waarbij dus de cliëntendossiers met een hoog risico eerst worden herzien.

Bij dossiers met een hoog risico moet je bijvoorbeeld denken aan een cliënt uit een hoogrisicoland, een PEP (Politically exposed person) of van een correspondentierelatie.

In de Algemene Wwft-leidraad staan in paragraaf 5.3 (vanaf pagina 28, zie externe links) de factoren die aanleiding zijn voor een vereenvoudigd cliëntonderzoek. In paragraaf 5.4 (pagina 29 en verder) staan juist de situaties uitgelegd waarin een verscherpt cliëntonderzoek gedaan moet worden.

In welke gevallen cliëntenonderzoek?

Zakelijke relatie:

Een cliëntenonderzoek moet altijd als er een zakelijke relatie wordt aangegaan.

In de nieuwe leidraad staat dat een (individuele) geldtransfer ook altijd valt onder die definitie. Een geldtransfer is een betaaldienst waarbij een begunstigde, geldmiddelen ontvangt van de betaler, zonder dat er een betaalrekening van de betaler of de begunstigde wordt gebruikt.

Transacties:

Daarnaast is cliëntonderzoek verplicht in geval van bepaalde transacties. Het gaat om deze gevallen:

  • Indien er een incidentele transactie wordt verricht van ten minste € 15.000 of meerdere transacties waartussen een verband bestaat met een gezamenlijke waarde van ten minste € 15.000
  • Indien er indicaties zijn dat de cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme
  • Indien de Wwft-instelling twijfelt aan de juistheid of volledigheid van eerder verkregen gegevens van de cliënt
  • Indien het risico van betrokkenheid bij witwassen of financieren van terrorisme van een bestaande cliënt daartoe aanleiding geeft
  • Indien er, gelet op de staat waarin een cliënt woonachtig of gevestigd is of zijn zetel heeft, een verhoogd risico op witwassen of financieren van terrorisme bestaat
  • Indien de Wwft-instelling een geldovermaking (elektronische betaling) verricht van ten minste € 1.000
  • Voor kopers en verkopers van goederen (handelaren) bij transacties van ten minste € 10.000 euro of meer in contanten. Deze verplichting geldt ook indien er meerdere transacties worden verricht waartussen een verband bestaat met een gezamenlijke waarde van ten minste € 10.000 in contant geld
  • Voor kansspelaanbieders bij incidentele transacties van ten minste € 2.000 bij het ophalen van een prijs of het aangaan van een weddenschap, of bij meerdere transacties waartussen een verband bestaat met een gezamenlijke waarde van ten minste € 2.000

Moment van cliëntenonderzoek

De hoofdregel is dat het cliëntenonderzoek altijd voorafgaand aan een zakelijke relatie moet worden uitgevoerd. Dat wil zeggen: de cliënt moet worden geïdentificeerd en de identiteit moet zijn geverifieerd. Dat kan voor natuurlijke personen door middel van:

  • Een geldig paspoort, identiteitskaart, rijbewijs
  • Een geldige identiteitskaart of rijbewijs uit een lidstaat
  • Reisdocumenten voor vluchtelingen en vreemdelingen
  • Vreemdelingendocumenten

Werkt iets anders voor UBO’s

In geval van een UBO moet die ook zijn geïdentificeerd, maar volstaat het om ‘redelijke maatregelen’ te nemen om die identiteit te verifiëren. Verificatie moet uiteindelijk altijd, maar zou bij een UBO te lang kunnen duren voor de noodzakelijke dienstverlening. Als er een laag risico is, mag de verificatie dus nog even uitgesteld worden, maar moet deze wel zo snel mogelijk plaatsvinden.

De AFM legt het begrip ‘redelijke maatregelen’ verder uit:

In het kader van het cliëntenonderzoek moet de instelling een redelijke inspanning verrichten om de identiteit van de UBO te verifiëren. Bij vennootschapsstructuren is het uitgangspunt dat de instelling de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt kent, en ook begrijpt. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij een ingewikkelde structuur bestaande uit vele ondernemingen, de instelling meer inspanning verricht om deze (internationale) structuur van de cliënt te begrijpen dan voor een Nederlandse besloten vennootschap met een directeur-grootaandeelhouder.

De verificatie van de identiteit vindt echter te allen tijde plaats. De intensiteit kan worden afgestemd op het risico van de cliënt of transactie. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij hoger risico de instelling de verificatie van de identiteit van de UBO baseert op documenten en informatie uit betrouwbare en onafhankelijke bron. Een kopie van een identiteitsbewijs is bijvoorbeeld geen informatie uit betrouwbare en onafhankelijke bron. De instelling kan ten aanzien van de verificatie van de identiteit van de UBO niet uitsluitend volstaan met het navragen naar de identiteit van de UBO bij de cliënt (de zogenaamde UBO-verklaring).

Als het niet lukt om de identiteit van de UBO vast te stellen, dan mag er geen zakelijke relatie aangegaan worden, of mag de gevraagde transactie niet uitgevoerd worden.

Sinds 27 september 2020 moet de instelling de UBO bovendien aanmelden in het UBO-register.

Als die eenmaal gevuld is, kan een instelling dit register bovendien raadplegen om na te gaan wie de UBO precies is. Maar let wel: instellingen mogen zich niet uitsluitend verlaten op de informatie in het UBO-register. Dit betekent dat een instelling ook zelf onderzoek moet doen naar wie de UBO is.

Andere relevante uitzondering

Er zijn nog drie uitzonderingen waarbij een zakelijke relatie aangegaan mag worden voordat de identiteit geverifieerd is. Eén daarvan is voor medewerkers in de financiële dienstverlening van belang.

Banken en andere financiële ondernemingen mogen een rekening openen voordat verificatie van de identiteit van de cliënt (en eventueel van de UBO van de cliënt) heeft plaatsgevonden. De rekening moet dan wel geblokkeerd blijven van gebruik tot de verificatie heeft plaatsgevonden. In de tussentijd, mag de rekening dus niet gebruikt kunnen worden. Dit geldt ook voor rekeningen voor effectentransacties. Dat betekent dat deze uitzondering ook van toepassing is op beleggingsondernemingen; zij kunnen een effectenrekening openen voordat de identiteit van de cliënt is vastgesteld en geverifieerd, zolang maar wordt bewerkstelligd dat die rekening nog niet kan worden gebruikt. Pas als de identiteit van de cliënt is geverifieerd, mag de rekening daadwerkelijk in gebruik worden genomen. 

Levensverzekeringen – onderzoek begunstigde

In het geval van levensverzekeringen worden er voor banken en andere financiële ondernemingen aanvullende eisen gesteld aan het cliëntenonderzoek. Als een begunstigde van een levensverzekering is geïdentificeerd of aangewezen, moet de naam van deze begunstigde vastgesteld worden.

Een begunstigde kan ook op de polis staan als bijvoorbeeld “erfgenamen” of een andere categorie. Als dat zo is, dan moet de instelling voldoende informatie inwinnen over die begunstigde om ervan overtuigd te zijn dat de identiteit van de begunstigde tenminste ten tijde van de uitkering van de levensverzekering kan worden vastgesteld.

De verificatie van de identiteit van de begunstigde moet uiterlijk plaatsvinden op het moment dat de levensverzekering wordt uitbetaald.

Als een bank of andere financiële onderneming op de hoogte is van de overdracht van een levensverzekering aan een derde (dit kan een natuurlijk persoon, een rechtspersoon, een personenvennootschap of een juridische constructie zijn), wordt van de bank of financiële onderneming verwacht dat hij de UBO identificeert op het tijdstip van de overdracht aan de natuurlijk persoon, rechtspersoon, personenvennootschap of juridische constructie die de waarde van de overgedragen levensverzekeringpolis te eigen voordele ontvangt.

Melding ongebruikelijke transacties

Indicatoren

In de paragraaf hierboven is al aangegeven in geval van welke soorten transacties er in ieder geval cliëntenonderzoek gedaan moet worden.

Er is een andere opsomming van zaken die gelden als indicator: als het een genoemde transactie is, die uitkomt boven de in deze indicatorenlijst genoemde bedragen, is dat automatisch een ongebruikelijke transactie die gemeld moet worden bij de Fiscal Intelligence Unit (FIU Nederland).

De ‘indicatorenlijst’ is de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. De titel doet vermoeden dat dit besluit uit 2018 stamt, maar deze is het meest recent aangepast op 27 september 2020. De indicatorenlijst kunt u terugvinden via de externe links.

Het kan zijn dat een bepaalde transactie wel aanleiding is voor cliëntenonderzoek, maar geen ongebruikelijke transactie is volgens de indicatorenlijst. Een hoge geldstorting van een consument aan een notaris als garantie voor de aankoop van een woning, kan daarvan een voorbeeld zijn.

Indicatorenlijsten verschillen per instelling

Voor medewerkers in de financiële dienstverlening is de eerste indicatorenlijst het meest relevant: dat is Tabel 1 in Bijlage 1 en geldt voor banken en andere financiële ondernemingen. 

Voor (beheerders van) beleggingsinstellingen, icbe’s, beleggingsondernemingen en financiële dienstverleners voor zover zij bemiddelen in levensverzekeringsovereenkomsten, is enkel de zogenoemde subjectieve indicator van toepassing, te weten “transacties waarbij de instelling aanleiding heeft te veronderstellen dat de transactie verband kan houden met witwassen of terrorismefinanciering”. 

De subjectieve indicator schept een meldplicht op basis van de inschatting die de instelling zelf van een bepaalde situatie maakt. De Wwft doet in dat geval een beroep op de professionele beoordeling van de instelling om te bepalen of een bepaalde transactie ongebruikelijk is. De instelling dient volgens de subjectieve indicator melding te maken van een transactie waarbij zij aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme.

De AFM geeft in haar toelichting voorbeelden (zie pagina 31 en verder, externe links) van transacties die als ongebruikelijk aangemerkt kunnen worden onder deze indicator.

Bewaartermijnen

De bewaarplicht voor cliëntenonderzoeken is 5 jaar. Deze termijn betekent dat deze informatie tot 5 jaar na het beëindigen van de relatie bewaard moet worden door de instelling. 

Eenzelfde termijn van 5 jaar geldt voor ongebruikelijke transacties. Die termijn begint te lopen vanaf het moment dat die transactie gemeld is.

Het bewaren van dergelijke gegevens valt onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In de Wwft-leidraad is daarom aangegeven waarom het bewaren van deze gegevens zwaarder weegt dan het privacybelang van de cliënt.

Informatie

  • Basis
  • EQF 5
  • Dinsdag 3 november 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships