Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Nieuws Prinsjesdag 2020 Vermogen

Op 15 september 2020 (Prinsjesdag) heeft het kabinet haar plannen voor 2021 bekend gemaakt. In dit artikel vatten we voor medewerkers die werkzaam zijn binnen het vakgebied voor de adviseur Vermogen, de meest relevante onderwerpen van de overheidsplannen samen. Op het gebied van Sociale Zekerheid zijn de meeste plannen vrij vaag omlijnd en weinig concreet. Er zijn dan ook vooral fiscale wijzigingen die van invloed kunnen zijn op uw vakgebied. In de loop van 2021 zullen grotere thema’s, zoals het Pensioenakkoord of opnieuw een nieuwe box 3-belasting mogelijk meer vorm krijgen.

Fiscaal algemeen – tarieven en heffingskortingen

In het Prinsjesdag-artikel voor Basis zijn de effecten van de nieuwe tarieven Inkomstenbelasting in box 1 al geschetst. Voor een volledig overzicht, staan hieronder de (voorgenomen) tariefschijven en tarieven in 2021 naast die van 2020. Dit keer ook voor AOW-gerechtigden:

 

2020

2021

IB-tarieven tot de AOW-leeftijd

Schijf 1

37,35%

37,10%

Schijf 2

49,50%

49,50%

 

 

 

Grens schijf 1

€ 68.507

€ 68.507

 

 

2020

2021

IB-tarieven vanaf de AOW-leeftijd

Schijf 1

19,45%

19,20%

Schijf 2

37,35%

37,10%

Schijf 3

49,50%

49,50%

 

 

 

Grens schijf 1

(geboren >1945)

€ 34.712

€ 35.129

Grens schijf 1 (geboren < 1946)

€ 35.375

€ 35.941

Grens schijf 2

€ 68.507

€ 68.507


Ook de belangrijkste heffingskortingen worden aangepast in 2021 ten opzichte van 2020. Hieronder een overzicht van de heffingskortingen voor en na de AOW-leeftijd in beide jaren:

Heffingskorting

2020

2021

2020

2021

 

Voor de AOW-leeftijd

Vanaf de AOW-leeftijd

AHK: maximaal

€ 2.711

€ 2.837

€ 1.413

€ 1.469

AHK: afbouw in 2e en 3e schijf (AOW-ers)

5,672%

5,977%

2,956%

3,093%

Arbeidskorting: maximaal

€ 3.819

€ 4.205

€ 1.989

€ 2.191

Arbeidskorting: afbouwpunt

€ 34.954

€ 35.652

€ 34.954

€ 35.652

Arbeidskorting: afbouwpercentage

-6,00%

-6,00%

-3,125%

-3,105%

IACK: maximaal

€ 2.881

€ 2.913

-

-

IACK: inkomensgrens

€ 5.072

€ 5.153

-

-

IACK: opbouwpercentage

11,45%

11,45%

-

-

Ouderenkorting: maximaal

-

-

€ 1.622

€ 1.703

Ouderenkorting: afbouwpunt

-

-

€ 37.372

€ 37.970

Ouderenkorting: afbouwpercentage

-

-

-15%

-15%

Alleenstaande ouderenkorting

-

-

€ 436

€ 443

Jonggehandicapten-korting

€ 749

€ 761

-

-


AHK = Algemene Heffingskorting
IACK = Inkomensafhankelijke Combinatiekorting
Let wel: de Arbeidskorting kent meerdere schijven. Voor de eenvoud laten we de exacte op- en afbouw van de Arbeidskorting hier buiten beschouwing.

Complexiteit verhoogde box 3-vrijstelling

In het artikel Nieuws Prinsjesdag voor Basis is al aangegeven dat de vermogensvrijstelling verhoogd wordt tot € 50.000 per belastingplichtige. Omdat er in 2020 nog wettelijk is geregeld dat de vermogenstoets voor Toeslagen mede gebaseerd is op de vrijstelling in box 3, zou de verhoging van de vrijstelling een deels onbedoelde bijwerking hebben.

Daarom worden er vanaf 2021 extra vermogensvrijstellingen toegevoegd aan de belastingwetgeving, alleen om te voorkomen dat belastingplichtigen eerder in aanmerking komen voor bepaalde Toeslagen of andere inkomensafhankelijke regelingen.

Deze vermogensvrijstellingen:

  • Zijn € 116.613 of € 147.459 (indien er het hele jaar een partner is)
  • Gelden voor de Zorgtoeslag en het Kindgebonden Budget
  • Lijken niet consequent overal doorgevoerd te worden. In het wetsvoorstel box 3 of het financieringsoverzicht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is de koppeling nog niet losgelaten tussen de box 3-vrijstelling en de Kinderopvangtoeslag. Elders wordt de KOT in combinatie met de nieuwe vrijstelling wel genoemd.
    Ook voor andere vermogensafhankelijke inkomensregelingen, zoals de Overbruggingsregeling AOW, is niets te vinden in de Prinsjesdagstukken

Deze extra vermogensgrenzen vormen een uitdaging voor de Belastingdienst. De Raad van State is dan ook bijzonder kritisch over de plannen voor box 3. Niet alleen omdat deze niet uitvoerbaar is voor de Belastingdienst, maar ook omdat de wetswijziging onvoldoende tegemoetkomt aan meerdere Arresten bij de Hoge Raad, die deze belastingheffing (tot op zekere hoogte) onrechtmatig acht.

Staatssecretaris van Financiën Vijlbrief geeft aan dat het box 3-dossier zijn onverdeelde aandacht heeft en dat hij blijft streven naar het belasten van het werkelijke rendement. Hij zoekt naar manieren om dit werkelijke rendement te kunnen vaststellen, zonder daarmee de Belastingdienst in verdere uitvoeringsproblemen te brengen.

Ondernemers en ondernemingen

Er zijn in 2020 al diverse fiscale wijzigingen ingevoerd, die invloed hebben op ondernemers en ondernemingen. In 2021 zijn veel van de aangekondigde wijzigingen weer aangepast of teruggedraaid.

IB-ondernemers

Allereerst geldt voor de IB-ondernemer (zoals de meeste zzp’ers), dat zij te maken krijgen met een beperking van de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling, wanneer zij inkomen in de hoogste schrijf genieten. Nu nog mag een IB-ondernemer zijn ondernemersaftrek in mindering brengen op de belastbare winst uit onderneming. Vervolgens wordt daarop nog 14% MKB-winstvrijstelling in mindering gebracht. Voor zover de belastbare winst boven de grens van € 68.507 komt (waarvoor het tarief van 49,5% geldt), gaat de aftrek stapsgewijs verlaagd worden tot de eerste schijf. In de Prinsjesdagstukken is terug te lezen dat deze eerste schijf verlaagd zal worden tot 37,03%.

De ontwikkeling van de aftrekbeperking verloopt als volgt:

Jaar

2020

2021

2022

2023

2024

Maximaal aftrektarief grondslag verminderende posten

46,0%

43,0%

40,0%

37,05%

37,03%


Ook de zelfstandigenaftrek zelf (een van de vormen van ondernemersaftrek) wordt stapsgewijs verlaagd. De verlaging wordt versneld en uitgebreid. Er werd tot nu toe uitgegaan van een jaarlijkse verlaging van € 250 tot 2028. Dat wordt een verlaging van € 360 tot 2028 (in 2028 zelf iets hoger) en daarna van € 110 per jaar.

De ontwikkeling van de zelfstandigenaftrek ziet er als volgt uit:

Jaar

Hoogte zelfstandigenaftrek

2020

€ 7.030

2021

€ 6.670

2022

€ 6.310

2023

€ 5.950

2024

€ 5.590

2025

€ 5.230

2026

€ 4.870

2027

€ 4.510

2028

€ 4.120

Vanaf 2029 t/m 2035

(afbouw € 110 per jaar)

€ 4.010

-

€ 3.350

2036 en daarna

€ 3.240


In een voorbeeld leggen we uit wat in grote lijnen de fiscale gevolgen zijn van beperking van het aftrektarief en verlaging van de zelfstandigenaftrek. Dat deden we vorig jaar ook al, maar dit keer doen we dat op grond van het nieuwe voorstel.

Gemakshalve gaan we uit van een IB-ondernemer met een winst uit onderneming (WUO) van € 100.000, vóór de ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling. Er wordt verder geen rekening gehouden met overige aftrekposten, zoals hypotheekrenteaftrek, lijfrentepremie of dotatie aan de OR.

Belasting over WUO van € 100.000

2020

2036*

WUO = € 100.000

Af: zelfstandigenaftrek =

€ 7.030

Af: MKB-winstvrijstelling 14% =

14% x € 92.970 = € 13.016

Belaste WUO vóór correctie:
€ 79.954

 

Correctie aftrek: (49,5% - 46%) x € 20.046
= € 701

Fiscale winst: € 80.655

 

Verschuldigde IB: € 31.600

WUO = € 100.000

Af: zelfstandigenaftrek =

€ 3.240

Af: MKB-winstvrijstelling 14% =

14% x € 96.760 = € 13.546

Belaste WUO vóór correctie:
€ 83.214

 

Correctie aftrek: (49,5% - 37,03%) x € 16.784  = € 2.093.

Fiscale winst: € 85.307

 

Verschuldigde IB: € 33.684


*In deze berekening is nog geen rekening gehouden met eventuele heffingskortingen. Ook is voor de IB in 2028 uitgegaan van de tarieven 2021 (de meest toekomstige bekende tarieven).
Voor een IB-ondernemer betekenen de wijzigingen bij deze gelijkblijvende winst een belastingverhoging van 6,6%. In de praktijk zal dit overigens minder zijn, omdat de ondernemer wel recht heeft op een iets hogere arbeidskorting.
De verlaging van de zelfstandigenaftrek levert de schatkist structureel € 562 miljoen per jaar extra op. Dat is meer dan de verlaging van het tarief van de eerste schijf en verhoging van de arbeidskorting, die gelden voor alle werkenden, samen kosten.

Vennootschapsbelasting

Voor ondernemingen in de Vennootschapsbelasting was in 2018 aangekondigd dat deze verlaagd zou worden in 2020. Die verlaging was al uitgesteld tot 2021 voor winsten boven de € 200.000.

In het Belastingplan 2021 wordt de verlaging nog eens uitgesteld voor winsten in de tweede schijf.

Wel wordt de eerste schijf verlengd van € 200.000 tot € 245.000. In 2022 gaat de eerste schijf verder omhoog tot € 395.000.

De Vpb-tarieven zijn en worden:

Vpb

2020

Winst < € 200.000

16,5%

Winst > € 200.000

25%

 

Vpb

2021

Winst < € 245.000

15%

Winst > € 245.000

25%

 

Vpb

2022

Winst < € 395.000

15%

Winst > € 395.000

25%

Samenhang box 2

De heffing over aanmerkelijk belang in box 2 zou volgens het regeerakkoord samenhangen met de verlaging van de Vennootschapsbelasting.

Hoewel het hoge tarief in deze Vpb toch ongewijzigd blijft, wordt niet getornd aan de verhoging van de tarieven in box 2.

In 2020 is het tarief 26,25%.
In 2021 wordt dat 26,9%.

Overige belastingmaatregelen ondernemingen

Er zijn – voor grotere ondernemingen – nog enkele relevante mogelijke ontwikkelingen, die we hier kort aanstippen:

  • Er komt een belastingheffing op CO2-uitstoot. Die was al aangekondigd, maar de industrie wordt voor deze heffing gecompenseerd tot in elk geval 2024
  • Er was aangekondigd dat er fiscale maatregelen zouden komen, die ertoe moesten leiden dat het minder aantrekkelijk wordt voor bedrijven om te lenen. De aftrek van rente-uitgaven zou mogelijk beperkt worden. In het Belastingplan is dit nog niet uitgewerkt. Er wordt wel aan gerefereerd, maar alleen dat de mogelijkheden hiertoe worden onderzocht. De uitkomst van dat onderzoek moet in 2021 volgen

Levensloopregeling

In het belastingpakket Overige Fiscale Maatregelen, wordt een aanpassing in het overgangsrecht van de levensloopregeling voorgesteld.

Op 1 januari 2012 is de fiscale levensloopregeling in beginsel komen te vervallen. In dat kader is in de wet overgangsrecht opgenomen voor werknemers die op 31 december 2011 een levensloopaanspraak hadden, waarvan de waarde in het economische verkeer op die datum € 3.000 of meer bedroeg. Met dit overgangsrecht is een groot gedeelte van de betreffende wet- en regelgeving zoals die gold op 31 december 2011 tijdelijk van toepassing gebleven.

Ook is wettelijk vastgelegd dat het overgangsrecht voor levensloopregelingen eindigt met ingang van 1 januari 2022.

In fiscale zin valt het tegoed dan vrij op 31 december 2021, zodat het dat jaar nog belast is, als het tegoed nog niet is uitgekeerd. De (ex)-werkgever is inhoudingsplichtig.

Dit is praktisch nogal lastig uitvoerbaar, om meerdere redenen:

  • (Ex)-werkgevers hebben niet alle informatie om tijdige en juiste aangiften te doen
  • Ook hebben (ex)-werkgevers niet altijd informatie over de waarde in het economische verkeer van die aanspraak, of welk deel daarvan tot het loon gerekend moet worden
  • Het kan zelfs zijn dat de ex-werkgever waar het tegoed is opgebouwd, niet meer bestaat. In die gevallen moet de uitvoerder (bank, kredietinstelling, verzekeraar, etc) de belasting inhouden. Maar voor die uitvoerders geldt deels dezelfde problematiek als van (ex)-werkgevers
  • Tot slot is 31 december 2021 een onredelijke datum om het tegoed te laten vervallen, omdat de belasting dan nog niet is ingehouden. Dat betekent dat het hele tegoed per 1 januari 2022 als vermogen in box 3 valt, terwijl er nog belasting over geheven moet worden

Deze waslijst aan bezwaren, leidt tot de volgende voorgestelde aanpassingen:

  • Het levenslooptegoed komt fictief tot uitkering op 1 november 2021. Dan kan er al vóór 1-1-2022 belasting over betaald zijn
  • Instellingen die belasting moeten inhouden, hoeven geen rekening te houden met heffingskortingen. Dan wordt het namelijk te complex. Dat kan de belastingplichtige zelf verwerken in zijn aangifte
  • Tot en met 31 oktober 2021 blijft de huidige mogelijkheid bestaan om de waarde van de levensloopaanspraak op te nemen door middel van het op verzoek geheel of gedeeltelijk via de (ex-)werkgever laten uitbetalen van de waarde van de levensloopaanspraak. Indien de (ex-)werknemer hier gebruik van wil maken, dient hij dit uiterlijk op een door de uitvoerder te bepalen moment (bijvoorbeeld uiterlijk 30 september 2021) gezamenlijk met zijn (ex-)werkgever aan te geven. In dat geval zal de (ex-)werkgever gehouden zijn de uitkeringen die voortvloeien uit de levensloopregeling tot het loon te rekenen. Er wordt in de OFM niet uitgelegd hoe je dit moet doen als de ex-werkgever niet meer bestaat. Uit de voorgaande tekst blijkt dat het aannemelijk is dat afspraken tussen de ex-werknemer en de uitvoerder in dat geval zullen volstaan

Wat niet verandert is de wijze van belasten van de levensloopuitkering.

Als de belastingplichtige op 1 januari 2021 jonger is dan 61 jaar, dan is de aanspraak belast als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

Is de belastingplichtige op 1 januari 2021 61 jaar of ouder, dan wordt het belast als loon uit vroegere dienstbetrekking.

Over de uitkering hoeft de instelling in elk geval geen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet in te houden. Dat geldt ook voor premies werknemersverzekeringen. 

Successiewet

De Sleuteltabel is een overzicht van de budgettaire wijzigingen van belastingen. Uit die tabel blijkt dat de tarieven voor de Successiewet niet veranderen in 2021.

De grensbedragen worden wel geïndexeerd met 1,6%. Dat is een indicatie dat ook andere te indexeren fiscale bedragen met dat percentage zullen stijgen.

De eerste tariefschijf stijgt van € 126.723 naar € 128.751.

Het is daarmee aannemelijk dat bijvoorbeeld de partnervrijstelling zal stijgen van
€ 661.328 naar € 671.909. Ook de andere vrijstellingen in de Successiewet (erf- en schenkbelasting) zullen naar verwachting met 1,6% stijgen.

Informatie

  • Vermogen
  • EQF 5
  • Woensdag 16 september 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships