Of een in 1988 overeengekomen pensioenregeling dient te worden aangemerkt als een (gegarandeerde) eindloonregeling dan wel een streefregeling, betreft - onder meer - een taalkundige interpretatie

Appellant is in 1972 in dienst getreden bij Artur Küpper Nederland B.V. en heeft in 1983 KNS opgericht, waarvan hij 100% aandeelhouder en statutair directeur werd. KNS heeft in laatstgenoemd jaar alle aandelen in Artur Küpper Nederland B.V. verworven, waarna de naam is gewijzigd in AKN B.V. Vervolgens heeft appellant in 1991 zijn dienstverband met AKN B.V. beëindigd en treedt hij in dienst bij KNS. Acht jaar later heeft appellant alle aandelen KNS verkocht en overgedragen aan VHB B.V.; hij bleef managing director in dienst van KNS. In datzelfde jaar heeft VHB 49% van de aandelen in KNS overgedragen aan Brammer Plc. Ook toen is appellant als managing director in dienst gebleven bij KNS, waarna hij vervolgens op 1 april 2013 uit dienst is getreden.

 

Pensioenovereenkomsten

Tot 1 januari 1988 gold voor appellant een pensioenregeling bij AKN in eigen beheer. Voorgaande betrof een eindloonregeling. Vanaf 1 januari 1988 gold een nieuwe pensioenovereenkomst (hierna te noemen: ‘pensioenovereenkomst 1988’), waaruit voortvloeit dat de tot voornoemde datum in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraak in eigen beheer van AKN bleef en dat ter verdere uitvoering van de pensioenregeling een verzekering - in de vorm van een kapitaalverzekering met pensioenclausule - was afgesloten bij Nationale-Nederlanden. In 1991 heeft KNS de pensioenverplichtingen van AKN jegens appellant overgenomen. In het kader van de 49% aandelenoverdracht aan Brammer Plc, is tussen KNS en appellant een nieuwe arbeidsovereenkomst opgesteld waarin onder meer is opgenomen dat de pensioenrechten van appellant zullen worden geëerbiedigd.  Appellant ondertekende voorts zowel namens KNS als voor zichzelf een aanvullende overeenkomst (hierna te noemen ‘pensioenovereenkomst 2007’) waarin onder meer ongeclausuleerd een eindloonregeling is opgenomen.

 

Na uitdiensttreding van appellant ontstond tussen KNS en hem een geschil omtrent pensioenaanspraken en partijen wendden zich tot de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, die een voor appellant onbevredigend vonnis wees.

 

Hoger beroep    

Appellant kwam in hoger beroep tegen het vonnis. De in hoger beroep ingestelde primaire en (meer) subsidiaire vorderingen en grieven hingen, primair, samen met een verklaring voor recht dat hem over zijn volledige diensttijd een eindloonregeling is toegezegd, met veroordeling van KNS een aanvullende koopsom te storten danwel, subsidiair, een verklaring voor recht dat appellant over zijn volledige diensttijd een streefregeling is toegezegd waarvoor een jaarlijkse affinancieringsverplichting geldt tegen de op dat moment geldende marktrente, eveneens met veroordeling van KNS een aanvullende koopsom te storten.

 

De hamvraag is derhalve in de eerste plaats of er - conform de ‘pensioenovereenkomst 1988’ - sprake is van een gegarandeerde eindloonregeling (zoals appellant stelt) danwel een streefregeling (zoals KNS opwerpt).

 

In de overwegingen ter beantwoording van die vraag is voornamelijk in het oog springend de aanzienlijke betekenis die het hof toebedeelt aan de in de ‘pensioenovereenkomst 1988’ regelmatig de revue passerende termen “beoogde pensioenen’’. In het woord “beogen’’ zit namelijk een onzekerheid ingekapseld; in casu de onzekerheid of het pensioenresultaat gelijk zou zijn aan een eindloonpensioen. Daarbij moet voorts in ogenschouw genomen worden dat appellant de ‘pensioenovereenkomst 1988’ zowel als werkgever (AKN) alsook voor zichzelf als werknemer heeft ondertekend. Appellant zou de strekking van voorgaande hebben moeten onderkennen, aldus het hof.

 

Een en ander resulteert in het feit dat onvoldoende betekenis wordt toegekend aan het feit dat de tot 1 januari 1988 geldende pensioenregeling een gegarandeerde eindloonregeling betrof en dat toentertijd een collectieve pensioenregeling voor de overige werknemers bestond met gegarandeerde aanspraken gestoeld op een eindloonregeling. Voorts blijkt uit niets dat ten tijde van de totstandkoming van de ‘pensioenovereenkomst 1988’, enige grond aanwezig was ervan uit te gaan dat het te zijner tijd overeenkomstig deze overeenkomst te realiseren pensioen achter zou blijven bij het beoogde pensioen.

 

Ondanks dat concludeert het hof dat de ‘pensioenovereenkomst 1988’ moet worden beschouwd als een zogenoemde streefregeling. Ook de door appellant aangestipte gedragingen en uitingen van KNS na het sluiten van de betreffende overeenkomst, resulteren niet in de conclusie dat ook KNS ervan uit zou zijn gegaan dat een gegarandeerde eindloonregeling gold.

 

Maar hoe zit het dan met de ‘pensioenovereenkomst 2007’?

 

Deze overeenkomst is nietig zo meent het hof; een en ander daar met het sluiten van deze overeenkomst een aanzienlijke wijziging in de bestaande regeling werd doorgevoerd (van een streefregeling naar een eindloonregeling) - en daaruit voortkomend een wijziging van een van de arbeidsvoorwaarden voor appellant - waarvoor krachtens de betreffende statuten toestemming benodigd was van de aandeelhouder. Deze toestemming ontbrak echter. Bovendien mocht appellant er niet zomaar gerechtvaardigd op vertrouwen dat KNS instemde met de ‘pensioenovereenkomst 2007’, een en ander eveneens gezien bepalingen in de betreffende statuten.

 

Als laatste strohalm werpt appellant op dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming ten aanzien van de streefregeling. Bij een streefregeling is de hoogte van de rekenrente immers essentieel, zo stelt appellant. Hij haalt hiertoe aan een uitlating in een schrijven van de Pensioen- & Verzekeringskamer inhoudende dat het doelvermogen gebaseerd mag worden op een hogere rente dan de actuele marktrente onder voorwaarde dat deze rente, gelet op de langere termijn ervaringscijfers, prudent is. Bovendien is aangegeven dat indien de rekenrente hoger is dan de actuele marktrente, dit aan hem kenbaar gemaakt diende te worden. Appellant had in de gelegenheid gesteld moeten worden het hem voorgerekende pensioen in te kopen.

 

Ook hierin volgt het hof hem niet. Dat bij de in de ‘pensioenovereenkomst 1988’ opgenomen streefregeling een rekenrente als uitgangspunt is opgenomen (die gezien de marktontwikkelingen vanaf zeker moment als te hoog aangemerkt diende te worden), is onvoldoende voor de conclusie dat KNS haar verplichtingen conform de ‘pensioenovereenkomst 1988’ niet is nagekomen. Appellant zou niet afdoende uiteengezet hebben waarom het kennelijk overeengekomen uitgangspunt verlaten diende te worden. Voornoemd schrijven van de Pensioen- & Verzekeringskamer doet hier niets aan af. Immers, uit de brief blijkt niet dat de gehanteerde rende niet prudent is, laat staan vanaf wanneer dat zo zou zijn, terwijl ook niet is gebleken dat er in de loop der tijd een ander uitgangspunt is overeengekomen ten aanzien van de rekenrente. Resumerend: uit de ‘pensioenovereenkomst 1988’ vloeit voldoende duidelijk voort dat het risico op lagere pensioenuitkeringen dan was beoogd, voor rekening kwam van appellant.

 

Gezien hetgeen is overwogen in het kader van de tegen het vonnis in eerste aanleg ingestelde grieven, worden de vorderingen van appellant ook in hoger beroep afgewezen.

 

Gerechtshof Amsterdam, 11 september 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3365  

Informatie

  • Algemeen, Civieljuridische Aspecten, Pensioen Fiscaal, Pensioen Civiel, Pensioentoezegging, Pensioen Algemeen, Pensioen LB, Fiscale sancties
  • Woensdag 3 oktober 2018