Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Ontbinding huwelijk en alimentatie

Ruim een op de drie huwelijken wordt ontbonden door echtscheiding of door scheiding van tafel en bed en daarnaast is er ook een veelvoud van andere samenlevingen die worden beëindigd. Rondom echtscheiding spelen fiscale, juridische, financiële zaken, maar ook zeker de emotionele kant is belangrijk. De scheidende partijen zullen veel moeten bespreken over hun inkomens- en vermogensverdeling. Vaak is het verstandig om een traject af te spreken, die aan de hand van een aantal hoofdonderwerpen (checklist) plaatsvindt. Het traject zal vaak starten bij de kinderen, als deze er zijn, door het opmaken van een ouderschapsplan, dan zal het inkomen na de scheiding aan de orde komen in relatie tot de verdeling van het vermogen (eigen woning, geld en eventueel bedrijf) en  in het traject zal ook zeker naar het pensioen worden gekeken. Idealiter zou een financieel plan voor beide partijen weer in- en overzicht in een nieuwe start kunnen geven. 

Deze e-learning gaat over de ontbinding van een huwelijk/geregistreerd partnerschap en met name over het bepalen van de partner- en kinderalimentatie en de fiscale en financiële gevolgen hiervan.

1.0 Einde huwelijk en geregistreerd partnerschap

Een huwelijk wordt ontbonden door overlijden of (bij leven) door echtscheiding of ontbinding na een scheiding van tafel en bed. Bij een scheiding van tafel en bed gaat men apart wonen; het huwelijk is niet ontbonden en men is niet gescheiden, maar de eventuele gemeenschap van goederen is wel beëindigd. Voor sommige mensen kan deze vorm belangrijk zijn van uit hun geloofsovertuiging of dat zij er achter willen komen of zij de scheiding moeten doorzetten.

Als het huwelijk wordt ontbonden, moet er een verdeling worden gemaakt van het aanwezige vermogen en inkomen (alimentatie). De verdeling van het vermogen is afhankelijk of de echtgenoten in de wettelijke (beperkte) gemeenschap van goederen zijn gehuwd of op huwelijksvoorwaarden. Als er sprake is van de wettelijke gemeenschap van goederen is van belang wanneer het huwelijk is voltrokken. Tot 1 januari 2018 gold de algehele gemeenschap van goederen, sinds 1 januari 2018 geldt de beperkte gemeenschap van goederen.

Als er sprake is van huwelijksvoorwaarden moet worden gekeken hoe die worden uitgelegd en of de afspraken daarin zijn nagekomen. Denk hierbij vooral aan het periodiek (Amsterdams) verrekenbeding dat in veel gevallen niet is nageleefd. Verder kunnen er vergoedingsrechten zijn ontstaan doordat er met het vermogen van de een is geïnvesteerd in het vermogen van hen samen of de ander. Als dat na 2012 heeft plaatsvonden, gebeurt dat meestal op basis van de beleggingsleer, voor 2012 is de nominaliteitsleer van toepassing.

Ook ongehuwd samenwoners gaan veelvuldig uit elkaar en dan is de feitelijke situatie niet heel verschillend van een gehuwd scheidend stel. Juridisch is er echter een groot verschil: in de wet zijn geen aparte regels opgenomen over het delen en verrekenen van het vermogen van ongehuwde samenwoners. Voor het vaststellen wat van wie is, moet worden gekeken naar eventuele gemaakte afspraken in een (samenlevings)overeenkomst.

2.0 Procedure echtscheiding

Als de boodschap van echtscheiding is verteld aan de partner en zij besluiten om de volgende stap te zetten in het scheidingsproces is het goed dat zij een adviseur inschakelen die alles kan overzien, zowel wat betreft de fiscaal en juridische afwikkeling als ook de financiële afwikkeling.

Indien de echtgenoten het samen eens zijn over de echtscheiding en hoe zij de gevolgen daarvan willen regelen,  kunnen zij een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding indienen. Voor het indienen van een verzoek tot echtscheiding heeft men een advocaat nodig en een echtscheiding moet door een rechter worden uitgesproken. Pas nadat die uitspraak is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is de echtscheiding een feit. Bij de scheiding van tafel en bed wordt de beschikking van de rechtbank niet ingeschreven bij de gemeente, maar in het huwelijksgoederenregister bij de rechtbank. Wil een van beide echtgenoten niet scheiden of zijn zij het niet eens over de te maken afspraken, dan zal een eenzijdig verzoek kunnen worden ingediend. Ook dit verzoek moet door een advocaat worden ingediend bij de rechtbank, maar in tegenstelling tot het gezamenlijk verzoek heeft nu ieder een eigen advocaat nodig.

3.0 De ontbinding

Voor de ontbinding van het huwelijk en geregistreerd partnerschap gelden vrijwel dezelfde bepalingen. Het grote verschil is dat een geregistreerd partnerschap zonder tussenkomst van de rechter kan worden ontbonden, mits er geen minderjarige kinderen zijn. Als de geregistreerde partners een verklaring (laten) opstellen op basis van wederzijds goedvinden en deze samen met een advocaat of notaris ondertekenen, is een verzoek bij de rechtbank niet meer nodig. Als partijen het eens zijn, wordt over het algemeen een echtscheidingsconvenant opgesteld waarin de afspraken worden vastgelegd. Pas na inschrijving in de registers van de burgerlijke stand is het huwelijk juridisch ontbonden, tot dat moment heeft de beschikking geen rechtskracht. De beschikking moet binnen zes maanden worden ingeschreven bij de gemeente waar het huwelijk destijds is voltrokken. Als de inschrijving niet binnen deze periode plaatsvindt, komt deze te vervallen en zal men opnieuw een echtscheidingsverzoek in moeten dienen. De datum van echtscheiding is de datum van inschrijving in de registers.

Voor huwelijken, die buiten Nederland zijn gesloten en in Nederland worden ontbonden, zal de ambtenaar van de burgerlijke stand in Den Haag een akte van inschrijving opstellen.

Als het echtscheidingsverzoek niet op gemeenschappelijk verzoek is ingediend, is tegen de beschikking nog hoger beroep of cassatie mogelijk. De beroepstermijn is drie maanden. Door middel van een zogeheten akte van berusting kan worden verklaard dat er geen rechtsmiddelen meer zullen worden ingezet, zodat de beschikking direct kan worden ingeschreven en de beroepstermijn niet hoeft te worden afgewacht. Let op; ook een daad van berusting kan dezelfde uitwerking hebben, bijvoorbeeld als de beschikking wordt ingeschreven. Hoger beroep is dan niet meer mogelijk.

Als partijen het niet eens zijn, kan ook op verzoek van een van de echtgenoten een aanvraag tot echtscheiding worden ingediend. De rechtbank zal de beschikking dan alleen afgeven als er sprake is van duurzame ontwrichting die door de indiener van het verzoek zal moeten worden onderbouwd.

Tijdslijn van huwelijk tot ontbinding

De volgende tijdslijn geeft een overzicht van de stappen en de daarbij behorende fases wat betreft het juridische en fiscale volgorde aan van huwelijk tot inschrijving va de beschikking.

*De (beperkte) gemeenschap wordt ook ontbonden als scheiding van tafel en bed wordt aangevraagd.
**Zodra aan de cumulatieve voorwaarden is voldaan: en aanvraag tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank en woonachtig op een ander adres (artikel 5a lid 4 AWR). Indien beide partners ermee instemmen kunnen zij het volledige jaar van scheiding nog opteren voor fiscaal partnerschap.

4.0 Het ouderschapsplan

Als er minderjarige kinderen uit het huwelijk zijn geboren, is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan op te stellen. Ouders kunnen dit zelf (digitaal) regelen of met behulp van een mediator. Hierin moet worden opgenomen waar de kinderen wanneer verblijven, waar verjaardagen worden gevierd en hoe wordt omgegaan met feestdagen en vakanties. Verder zullen er zaken zoals schoolkeuzes en voortgangsbesprekingen in worden opgenomen. Er moeten minimaal afspraken worden gemaakt over de omgang met de kinderen, hoe ouders elkaar informeren en wat er omtrent kinderalimentatie is afgesproken. Als het zelf dan wel met hulp van een mediator niet lukt dan kan de rechter worden gevraagd om een ouderschapsplan te bepalen. Hiervoor moet een advocaat worden ingeschakeld om de gemaakte afspraken over de kinderen vast te leggen.

Als een van de ex-partners de gemaakte afspraken niet nakomt, dan kan dezelfde procedure worden gevolgd, dus eerst samen in overleg. Komt men er niet uit dan kan de stap naar de mediator weer reëel zijn of  uiteindelijk de rechter.

Het ouderschapsplan moet er zijn op het moment dat het verzoek tot echtscheiding wordt ingediend, want zonder een dergelijk plan zal de rechter geen uitspraak doen over de scheiding.

Het ouderschapsplan kan later worden aangepast, bijvoorbeeld omdat de situatie is veranderd. Beide ex-partners moeten instemmen met de aanpassingen. Dit kunnen zij in onderling overleg vastleggen en dit hoeft niet te worden voorgelegd aan de rechter, ook niet als de rechter het oorspronkelijke ouderschapsplan heeft vastgesteld.

Ook kinderen vanaf twaalf jaar kunnen de rechter vragen om de gemaakte afspraken aan te passen. De kinderen kunnen worden gehoord door de rechter over hun opvattingen daarover. Als het in een bepaalde situatie belangrijk is kan de rechter ook jongere kinderen horen. Vanaf zestien jaar mogen kinderen ook hun mening geven over de kinderalimentatie. Als een kind het spannend vindt, kan het kind afzien van dit recht om gehoord te worden. Een alternatief is dat het kind in een kindverklaring aangeeft niet gehoord te hoeven worden en dat hij/zij het eens is met de afspraken in het ouderschapsplan en de kinderalimentatie.
Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

5.0 Alimentatie

Door het huwelijk ontstaat een zorgplicht (artikel 1:81 BW). Als het huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt ontbonden eindigt de zorgplicht niet. Door de ontbinding ontstaat hierdoor een alimentatieplicht van de meestverdienende richting de minstverdienende (artikel 1:156 BW). Het gaat daarbij om een uitkering tot levensonderhoud van de gewezen echtgenoot, hierna ook aan te duiden als partneralimentatie. In een kwart van de echtscheidingen is sprake van partneralimentatie.

Partneralimentatie

De alimentatie wordt vaak vastgesteld met behulp van het Trema-model. Dit model is geen wet maar een rekenmodel dat ooit gepubliceerd is in het tijdschrift voor de Rechterlijke Macht en wordt door veel advocaten en rechters gevolgd. Volgens dit model wordt gekeken naar draagkracht van de alimentatieplichtige en de behoefte van de alimentatiegerechtigde. Ook komt in het stuk het woord behoeftig voor; dit betekent, dat men zelf niet in het eigen levensonderhoud kan voorzien en zelf daartoe de nodige middelen mist en die ook in redelijkheid niet kan verwerven.

Voor de draagkracht en de behoefte wordt zoveel mogelijk uitgegaan van de levensstandaard die men gewend was tijdens het huwelijk. Ook wordt er rekening mee gehouden dat degene die de partneralimentatie betaalt daar een fiscaal voordeel van heeft. Dit voordeel verhoogt de draagkracht en kan dus weer leiden tot een hogere alimentatie.

Bij de scheiding van een ondernemer (IB-ondernemer en DGA) is de vaststelling van het (netto) ‘inkomen’ een complexe zaak; van welk (netto) inkomen hebben ze geleefd en wat is het beschikbare inkomen voor de toekomst? 

Voor de alimentatieberekening van een IB-ondernemer zijn zowel de winst uit onderneming (resultaat van de onderneming) als de werkelijke privéopnamen en eventuele stortingen van belang. Daarnaast komt het bij de IB-ondernemer regelmatig voor dat er privéverplichtingen via de onderneming worden betaald en/of lasten van de onderneming in privé worden voldaan. Ook deze posten moeten bekeken worden en zijn terug te vinden in de specificatie van het verloop van het eigen vermogen (vermogensvergelijking), zoals dat meestal wordt opgenomen in de jaarstukken van de onderneming.

Voor de berekening van de draagkracht van de DGA is het salaris uit de BV en de opnamegeschiedenis van de winstreserves in de BV maatgevend. De hoofdregel is wel dat de continuïteit van de BV voorop staat, maar als de feiten en omstandigheden uitwijzen dat de winstreserves structureel werden opgenomen als inkomensaanvullingen, kunnen ze onderdeel zijn van het ‘inkomen’ van de DGA. Een redelijke juridische lijn is dat opnames in rekening-courant met de BV niet als salaris/inkomen hoeft te worden gezien, want de lening moet normaliter worden terugbetaald. De bewijslast voor het vaststellen van het inkomen van de DGA kan meestal gehaald worden uit jaarrekeningen, kasstroomoverzichten en prognoses.

Op 30 december 2019 is het met ingang van 1 januari 2020 van kracht zijn aangepaste Rapport Alimentatienormen gepubliceerd.

Uitleg globale berekening alimentatie volgens Trema-norm

  1. Netto besteedbaar inkomen
  2. Af: alimentatievrije voet (bijstandsnorm -/- minimale huur (2020: € 230))
  3. Af: woonkosten boven minimale huur
  4. Af: premie ziektekostenverzekering -/- nominale premie (2020 € 33) en -/- eventueel te ontvangen zorgtoeslag
  5. Af: overige relevante kosten, zoals aflossing van huwelijkse schulden en redelijke oudedagsvoorziening
  6. Van het restant wordt een draagkrachtpercentage genomen voor kinder- en/of partneralimentatie
  7. Hierbij komt het fiscaal voordeel over de berekende alimentatie

In de basis is de zorgplicht levenslang. De wetgever heeft in 1994 de duur van de partneralimentatie beperkt tot 12 jaar (artikel 1:157 BW). Indien het huwelijk korter duurde dan 5 jaar en er geen kinderen tijdens het huwelijk waren geboren was de duur van de alimentatie beperkt tot de duur van het huwelijk.

Per 1 januari 2020 is de duur van de partneralimentatie in principe gemaximeerd tot de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 5 jaar (artikel 1:157 BW). Dit geldt alleen voor nieuwe aanvragen tot echtscheiding vanaf 1 januari 2020. Als de aanvraag of beschikking dateert van voor 1 januari 2020 dan blijft de oude duur in stand.

Na in voering van de Wet herziening partneralimentatie per 1 januari 2020 geldt dat als het huwelijk langer heeft geduurd dan 15 jaar en de leeftijd van de alimentatiegerechtigde maximaal 10 jaar jonger is dan de dan geldende AOW-leeftijd, loopt de alimentatieplicht door tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Als het huwelijk langer heeft geduurd dan 15 jaar en de alimentatiegerechtigde is geboren voor 1 januari 1970 en het nog minimaal 10 jaar voor de AOW-gerechtigde leeftijd is, is de alimentatieduur maximaal 10 jaar. En tenslotte als er jonge kinderen zijn, duurt de alimentatieduur totdat het jongste kind 12 jaar wordt.

Voorbeeld

Een echtpaar gaat na 20 jaar huwelijk scheiden. Er zijn twee minderjarige kinderen (10 en 14 jaar). De hoofdregel kent een alimentatieduur van de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 5 jaar. Als er jonge kinderen zijn, geldt er een alimentatieduur totdat het jongste kind 12 jaar is. Dit zou nog 2 jaar zijn. Er is echter bepaald dat bij samenloop van meerdere situaties de hoofdregel geldt. In dit geval is er dus recht op 5 jaar alimentatie. Als er twee uitzonderingen van toepassing zijn, geldt de langste duur.

De alimentatie eindigt verder als:

  • De alimentatiegerechtigde hertrouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat of gaat samenwonen als ware men gehuwd
  • Bij overlijden van de alimentatiegerechtigde of de alimentatieplichtige

De alimentatie wordt over het algemeen per maand betaald en jaarlijks geïndexeerd. Er kan ook voor worden gekozen de alimentatie ineens te betalen of een koopsom te storten. Afkoop alimentatie waarbij de afkoopsom wordt gebruikt voor een lijfrente bij een bank of een verzekeraar (artikel 6.5 Wet IB 2001) kent een aantal voorwaarden. Zo moeten de termijnen toekomen aan de gewezen echtgenoot, direct ingaan en uiterlijk bij overlijden van de gewezen echtgenoot eindigen. Voordeel van ineens betalen is dat het geld zeker is gesteld voor de alimentatiegerechtigde, nadeel is dat als de alimentatiegerechtigde komt te overlijden het geld vervalt aan de bank of verzekeraar.

Kinderalimentatie

Kinderalimentatie is een bijdrage aan minderjarigen van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder. Er zijn geen wettelijke regels voor het vaststellen van de hoogte van de bijdrage in de kosten van kinderen.

Voor jong meerderjarigen geldt dat ouders moeten voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen (eigenlijk kosten van verzorging en opvoeding) in de leeftijd van 18 tot 21 jaar. Deze kinderen hebben een zelfstandig recht om een bijdrage in deze kosten geldend te maken.

Voor een uniforme vaststelling van de behoefte aan een (forfaitaire) bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen, heeft de Nederlandse vereniging van de rechtsspraak samengewerkt met het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (het NIBUD) een soort puntensysteem ontwikkeld. Dit puntensysteem is afhankelijk van het netto-inkomen van de ouders voor de scheiding, de leeftijd van de kinderen en het aantal kinderen en het recht op (verschillende) toeslagen,  kinderbijslag en kindgebonden budget.

Met de hulp van tabellen kan het eigen aandeel van de ouders in de totale kosten van de kinderen worden bepaald. Eerst wordt aan de hand van de leeftijd van de kinderen een aantal punten toegekend (zie tabel 1). Daarna wordt op basis van het aantal punten en het netto-gezinsinkomen per maand in euro’s bepaald wat de ouders in de kosten van de kinderen bijdragen (tabel 2).

Tabel 1: punten per kind

Leeftijd kind

Punten per kind

0 tot en met 5

4

5 tot en met 11

2

12 tot en met 17

0


Tabel 2: eigen aandeel kosten van kinderen (maandbedragen); tabel voor twee kinderen (netto-gezinsinkomen per maand in euro’s). De bedragen in tabel 2 zijn forfaitaire bedragen.

Punten

1000

of minder

 

1250

1500

1750

2000

2500

3000

3500

4000

4500

5000

5500

6000

of meer

 

8

140

205

265

330

390

515

640

765

890

1015

1140

1265

1390

6

130

190

255

315

380

505

630

755

880

1005

1130

1255

1380

4

115

180

240

305

365

490

615

740

865

990

1115

1240

1365

2

105

165

230

290

355

480

605

730

855

980

1105

1230

1355

0

 95

155

220

280

345

470

595

720

845

970

1095

1220

1345

Voorbeeld

John (47 jaar) en Jolanda (44 jaar) gaan scheiden en ze hebben een zoon (6 jaar) en een dochter (2 jaar). John werkt als manager en Jolanda als verpleegkundige en ze hebben tijdens het huwelijk een netto besteedbaar inkomen van € 3.600 respectievelijk € 2.400 per maand (totaal € 6.000 per maand). Gezien het inkomen is er geen sprake van een kindgebonden budget, anders moest dat bij het totale netto besteedbaar inkomen worden geteld.

Gezien de leeftijd van de kinderen is er sprake van 6 punten. Uit tabel 2 blijkt dat de kosten voor de kinderen forfaitair kunnen worden gesteld op € 1.380 per maand. Let wel, dit zijn normen, want de werkelijke situatie moet daaraan worden getoetst voor een eventuele aanpassing.

Bij de volgende stap is de draagkracht van John en Jolanda van belang en dus met andere woorden wat kan ieder in het bedrag van € 1.380 bijdragen. Daarin is het van belang bij wie de kinderen het meeste zijn; eigenlijk is de vraag wie doet de feitelijke zorg. De verdeling van deze kosten gebeurt dan naar draagkracht van John en Jolanda. Als zij kiezen voor co-ouderschap en de kinderen evenveel bij John als Jolanda zijn, wordt vaak een regeling voor verblijfsoverstijgende kosten getroffen. Hier zouden John en Jolanda dan afspraken moeten maken over de kosten van sport, hobby, enzovoort. De kinderalimentatie gaat voor de partneralimentatie.
Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

7.0 Fiscale behandeling alimentatie

De partneralimentatie (ineens of periodiek) is aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek. Doordat het een onderdeel is van de grondslagverminderende posten, is de aftrek sinds 2020 beperkt (in 2020 geldt een aftrek tegen maximaal 46%; artikel 2.10 Wet IB 2001) en zal uiteindelijk ongeacht de hoogte van het box 1-inkomen, aftrekbaar zijn in de eerste schijf.

De ontvangen partneralimentatie is belast in box 1 als periodieke uitkering en verstrekking. Dit zou ertoe kunnen leiden dat de alimentatie bij de ontvanger tegen een hoger tarief wordt belast dan waartegen de alimentatie bij de betaler aftrekbaar is.

Als wordt gekozen voor afkoop ineens of afstorten bij een bank of verzekeraar voor de aankoop van een lijfrente dan wordt de betaalde koopsom eerst verrekend met het inkomen in box 1 en als dit inkomen niet voldoende is met het inkomen in box 3 en daarna met het inkomen in box 2 (artikel 6.2 Wet IB 2001).

Bij afstorten van een koopsom bij een bank of verzekeraar is de koopsom aftrekbaar (artikel 6.5 Wet IB 2001) waar wordt verwezen naar artikel 3.124 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001.

Kinderalimentatie is niet aftrekbaar en de ontvangsten zijn niet belast. Tot de 18-jarige leeftijd van het kind zal de kinderalimentatie worden betaald aan de ouder waar het kind woont en vanaf 18 jaar aan het kind zelf.

8.0 Woongenot als alimentatie

De voormalig gezamenlijk bewoonde eigen woning kan maximaal twee jaar nadat de woning de belastingplichtige niet meer als hoofdverblijf ter beschikking staat, nog worden aangemerkt als eigen woning (artikel 3.111 lid 4 Wet IB 2001). Dit betekent, dat gedurende deze periode de vertrekkende partner de oude woning nog mag aanmerken als eigen woning met als gevolg dat de hypotheekrente in box 1 in mindering mag worden gebracht en dat er een bijtelling van het eigenwoningforfait plaatsvindt.

Als de ex-partner in de woning blijft wonen zonder daarvoor een vergoeding te betalen mag de vertrokken partner zijn/haar aandeel in het eigenwoningforfait aftrekken als alimentatie in natura (artikel 6.1 en 6.3 Wet IB 2001). De achterblijvende partner moet dit bedrag opgeven als periodieke uitkering en verstrekkingen (artikel 3.101 Wet IB 2001).

Als de woning gezamenlijk eigendom is, zal voor de achterblijvende partner voor diens aandeel in de woning de “normale” eigenwoningregeling van kracht blijven en voor de vertrokken partner de regeling zoals hiervoor omschreven.

Voorbeeld

Huib en Joke zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en gaan uit elkaar. Zij komen overeen dat Joke samen met de kinderen voorlopig in de woning blijft wonen en dat zij haar aandeel in de schuld zelf zal blijven voldoen. Huib blijft zijn helft voorlopig ook betalen. Joke gaat geen huur aan hem betalen voor het gebruik van zijn deel van de woning. De woning heeft een WOZ-waarde van € 300.000 en de eigenwoningschuld bedraagt € 200.000 tegen een rente van 3%.

Voor ieder van hen geldt dat zij eigenaar zijn van de helft van de woning. Joke heeft recht op renteaftrek over een bedrag van € 3.000 en moet het eigenwoningforfait van € 900 bijtellen. Huib kan zijn aandeel in de hypotheekrente van € 3.000 ook aftrekken. De bijtelling van het eigenwoningforfait groot € 900 kan hij corrigeren als alimentatie in natura en dit bedrag moet Joke opgeven als periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Per saldo trekt dus ieder de helft van de hypotheekrente af en wordt het bedrag van het eigenwoningforfait volledig bij Joke in de belastingheffing betrokken.
Ga naar FinsourceOne voor het maken van een tussenopdracht

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB, Recht: Huwelijksvermogens- en erfrecht
  • 1 uur
  • EQF 1
  • 1 PE punt(en)
  • Maandag 2 november 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Premium PE Online artikelen zijn voor Members Life Event Advisor

Wil je deze PE artikelen ook lezen?
Word dan Member!

Bekijk Memberships