Onvoldoende gronden voor afwaardering tbs-vordering

Hof Amsterdam heeft op 7 januari 2020 (publicatie 29 januari 2020) uitspraak gedaan of voldoende aannemelijk is gemaakt dat een tbs-vordering op grond van goed koopmansgebruik mag worden afgewaardeerd.

Belanghebbenden zijn beiden directeur en voor 50% aandeelhouder van een Ltd. Belanghebbenden hebben geld geleend aan de Ltd. Hiervan is een leningsovereenkomst opgesteld.

 

In hun aangiften inkomstenbelasting 2011 waarderen belanghebbende de tbs-vordering af met 25%. Belanghebbenden stellen dat de lening was afgestemd op hogere geprognosticeerde omzetten en winsten van de Ltd. die echter niet zijn behaald.

 

De inspecteur accepteert de afwaardering niet, omdat er volgens hem sprake is van een schijnlening. Rechtbank Noord-Holland oordeelt echter dat de geldverstrekking fiscaal gekwalificeerd dient te worden als een lening. Belanghebbenden maken vervolgens echter niet aannemelijk dat per eindbalansdatum binnen de grenzen van goed koopmansgebruik de vordering afgewaardeerd mag worden. 

 

Hof Amsterdam stelt ook voorop dat de bewijslast voor de afwaardering van de tbs-vordering op belanghebbenden rust en dat de afwaardering dient te worden beoordeeld naar maatstaven van goed koopmansgebruik.

 

Het hof constateert dat het door belanghebbenden geleverde bewijs deels betrekking heeft op omstandigheden die zich na het waarderingstijdstip hebben voorgedaan (zoals een recessie uit 2014). Verder heeft de Ltd. in 2011 en 2012 nog geïnvesteerd in vastgoed. Dit duidt er op dat het verantwoord werd geacht om nog te investeren.

Het hof oordeelt dat belanghebbenden een waardedaling niet aannemelijk hebben gemaakt.

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • Dinsdag 4 februari 2020