Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Schadeverzekeringen in echtscheidingszaken

Het Kifid heeft een aantal uitspraken gedaan die allemaal samenhangen met echtscheiding. De centrale vraag bij al deze uitspraken is of de verzekeraar 100% of 50% moet uitkeren, dan wel niets. Wij zetten de zaken op een rij.

Wij behandelen vier verschillende uitspraken van de Geschillencommissie van het Kifid waar een echtscheiding aan de basis van de problemen staat en waar de vraag steeds is, of de verzekeraar in volledig of deels moet uitkeren, dan wel of slechts een gedeelte van de uitkering gedaan moet worden waar een van de partners recht op heeft.

Rechtsbijstandsverzekeraar wil elke verzekerde 50% van het kostenmaximum uitkeren (2021-0038)

In deze casus ontstaat na een echtscheiding een geschil over de omgangsregeling voor de kinderen. Bij dezelfde verzekeraar loopt de ‘oude’ gezinsrechtsbijstand van voor de scheiding en de nieuwe rechtsbijstandsverzekering van de klagende ex-partner. In een eerdere klacht 2018-324 (zie externe links) heeft het Kifid uitgesproken dat de verzekeraar dekking moet verlenen. In deze procedure komt de vraag aan de orde op welke maximale uitkering de partners recht hebben. De consument vindt dat de twee rechtszaken allebei een eigen kostenmaximum moeten hebben. De Geschillencommissie is van mening dat de verschillende procedures allemaal verband houden met de echtscheiding en als één zaak gezien moeten worden, waarvoor eenmaal het kostenmaximum beschikbaar is.

Deze zaak wordt terecht afgewikkeld op de oude polis waarop beide partners nog verzekerd zijn. De zaak was al voor de echtscheiding gemeld op deze polis en op de nieuwe polis was nog geen dekking voor dit geschil.

Wat betreft het kostenmaximum kijkt de Geschillencommissie naar de polisvoorwaarden. Deze bepalen dat de verzekerden dezelfde rechten hebben als de verzekeringnemer. In het overzicht in de voorwaarden staat dat voor de verzekeringnemer een kostenmaximum van € 25.000 geldt. De polisvoorwaarden vermelden niets over het verdelen van het kostenmaximum zoals in de praktijk door rechtsbijstandsverzekeraars wordt gehanteerd.

De Geschillencommissie is van mening dat de voorwaarden duidelijk zijn en de interpretatie daarvan door verzekerde redelijk is. De rechtsbijstandsverzekeraar moet de medeverzekerde hetzelfde recht geven als de verzekeringnemer. De verzekerde heeft een eigen kostenmaximum van € 25.000. Bij de aanvullende uitkering waar verzekerde recht op heeft komt ook nog de wettelijke rente. Verzekerde hoefde de rechtsbijstandsverzekeraar niet in gebreke te stellen omdat de vergoedingsplicht vaststond.

Onverdeelde huwelijksgemeenschap valt volledig onder inboedelverzekering ex-partner (2021-0059 en 0060)

In deze zaak liep het minder goed af voor een ex-partner die schade leed, doordat de sieraden die onderdeel van de onverdeelde boedel waren, werden gestolen. De klager klaagt zowel de verzekeraar als de tussenpersoon aan.

Verzekeraar

Consument heeft de sieraden uit de onverdeelde boedel na een echtscheiding laten taxeren en verzekerd op zijn inboedelverzekering. Na de diefstal van de sieraden, denkt de verzekeraar weg te komen met een uitkering van slechts 50% omdat het belang van de ex-partner niet is meeverzekerd.

Voor de Geschillencommissie een eenvoudige zaak. Het BW vermeldt duidelijk in artikel 7:946 lid 2 dat bij verzekering van een zaak die ingevolge een huwelijk of geregistreerd partnerschap in een gemeenschap valt, de deelgenoten voor hun belang verzekerde zijn. Dat lijkt goed nieuws voor de verzekerde partner.

Maar de verzekeraar is nog steeds niet van plan de schade te vergoeden. De verzekeraar stelt en volgens de Geschillencommissie terecht, dat de schade is verjaard. Op zich een juiste vaststelling.

Voor oprichting van het Kifid gold bij van de Raad van Toezicht het toetsingscriterium of de goede naam van het verzekeringsbedrijf geschaad wordt. Dit criterium geldt nu niet meer. Dat is nadelig voor de klager en er zijn dan ook argumenten om dit criterium in de toekomst opnieuw in te voeren. In dit geval zou dan wellicht uitgesproken zijn dat de verzekeraar door zich in dit geval op verjaring te beroepen, de goede naam van het verzekeringsbedrijf geschaad wordt. Hiervan is echter geen sprake. De verzekerde trekt aan het kortste eind tegenover de verzekeraar.

Tussenpersoon

De verzekeraar komt weg zijn beroep op verjaring. Vervolgens wordt een klacht tegen de tussenpersoon ingediend omdat zijn advies de onverdeelde boedel gemeenschappelijk te verzekeren in strijd was met zijn zorgplicht.

De tussenpersoon heeft volgens de Geschillencommissie niets verkeerd gedaan. In de hiervoor beschreven uitspraak werd vastgesteld dat de sieraden goed verzekerd waren onder de inboedelverzekering van de partner. Dat de zaak is verjaard is kan de tussenpersoon niet worden aangerekend. Ook deze klacht mist dus zijn doel en de verzekerde krijgt zijn schade niet vergoed.

Partner steekt woning in de brand. Niet schuldige partner krijgt 50% van de schade uitgekeerd (2021-0051)

De toenmalige echtgenote van consument heeft brand gesticht in de gezamenlijke woning. In deze zaak wordt een klacht ingediend tegen dezelfde verzekeraar als in de zaak hierboven en weer gebruikt de Geschillencommissie artikel 7:946 BW om de verzekeraar de helft van de schade te laten betalen.

Verzekeraar wil eerst in het geheel niet uitkeren en beroept zich in deze zaak op opzetuitsluiting in de algemene voorwaarden. ‘De verzekering biedt geen dekking voor schade die een verzekerde persoon met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt, ongeacht wie de schade lijdt’.

Het verweer van de consument is dat hij de voorwaarden echter nooit heeft ontvangen. De verzekeraar slaagt niet in het bewijs dat hij de voorwaarden op de juiste wijze aan verzekerde ter beschikking heeft gesteld. Het enkele feit dat de voorwaarden volgens een code in het systeem van de verzekeraar zijn verzonden is niet voldoende. Het plaatsen van een code bewijst niet dat de voorwaarden zijn aangekomen. Omdat de opzetuitsluiting een kernbeding is, het gaat over de kern van de dekking, moet de verzekeraar nu aantonen dat hij dit beding uitdrukkelijk heeft afgesproken en dat kan de verzekeraar niet bewijzen.

Omdat het kernbeding niet is afgesproken, gaat de regel uit de wet gelden. Artikel 7:952 BW bepaalt: De verzekeraar vergoedt geen schade aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt. De uitsluiting uit de wet is in dit geval beperkter dan de uitsluiting in de – niet van toepassing zijnde – polisvoorwaarden. Alleen de verzekerde die met opzet handelde kan geen beroep op de verzekering doen.

De ex-echtgenote heeft het huis opzettelijk in brand gestoken en is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. Op grond van Artikel 7:952 BW krijgt zij geen uitkering. Omdat het huis in een beperkte huwelijksgoederengemeenschap zat, moet het belang van de consument worden vastgesteld op 50%. De verzekeraar moet 50% van de schade vergoeden. Hij mag hiervan wel de vergoeding die de consument in de strafzaak heeft toegewezen gekregen aftrekken.

Informatie

  • Schade Particulier
  • EQF 5
  • Woensdag 10 maart 2021
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships