Splitsingsvrijstelling overdrachtsbelasting niet van toepassing

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 17 december 2019 uitspraak gedaan of voor de juridische splitsing van een bv, die een lichaam in de zin van artikel 4 WBRV is, de vrijstelling van artikel 15 lid 1 onderdeel h WBRV van toepassing is.

Een zus en een broer bezitten ieder 50% van de aandelen G BV, die 100% van de aandelen H BV bezit. De bezittingen van H BV bestaan naast vorderingen uit een pand.

G BV wordt juridisch gesplitst ter vereenvoudiging en flexibilisering van de bedrijfsvoering en de organisatie. De verkrijgende vennootschappen zijn belanghebbende, een nieuwe bv van zus, en een nieuwe bv van broer.

 

G BV is een lichaam in de zin van artikel 4 WBRV. In geschil is of voor de juridische splitsing van G BV een beroep kan worden gedaan op de vrijstelling van artikel 15 lid 1 onderdeel h WBRV.

 

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat er ten tijde van de splitsing louter sprake was van passief vermogensbeheer. Daarom al is er volgens het hof geen sprake van ‘zakelijke overwegingen op grond waarvan de splitsing heeft plaatsgevonden’ in de zin van artikel 5c Uitvoeringsbesluit WBRV.

 

Voorts heeft belanghebbende niet gesteld dat, en waarom, er, ondanks het ontbreken van zakelijke overwegingen, geen is sprake van een splitsing die in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van de heffing van overdrachtsbelasting.

Het hof oordeelt dat de vrijstelling van artikel 15 lid 1 onderdeel h WBRV derhalve terecht is geweigerd.

Informatie

  • Fiscaal: Overig
  • Dinsdag 7 januari 2020