Structuur met coöperatie leidt niet tot winst uit onderneming

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 27 oktober 2020 (publicatie: 6 november 2020) uitspraak gedaan of een structuur met een coöperatie tot gevolg heeft dat er sprake is van ondernemerschap in de zin van Wet IB 2001.

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben een coöperatie opgericht. In de akte van oprichting is bepaald dat leden niet aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de coöperatie en dat de aansprakelijkheid van de leden voor een tekort van de coöperatie is uitgesloten.

Belanghebbende is als opdrachtnemer met de coöperatie (als opdrachtgever) een overeenkomst van dienstverlening aangegaan. Belanghebbende heeft zich tevens als eenmanszaak ingeschreven in het handelsregister. Aan belanghebbende is een VAR-WUO afgegeven.

In geschil is of belanghebbende ondernemer is in de zin van de Wet IB 2001. Belanghebbende stelt dat hij zelfstandig beroepsuitoefenaar is. De inspecteur is daarentegen van mening dat er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt onder andere dat belanghebbende slechts voor een opdrachtgever (de coöperatie) heeft gewerkt en dat hij zijn werkzaamheden volledig voor rekening en risico van de coöperatie heeft verricht. Verder is van belang dat de coöperatie de toevoeging U.A. (uitgesloten aansprakelijkheid) aan haar naam heeft toegevoegd en de leden volgens de statuten niet aansprakelijk zijn voor verbintenissen van de coöperatie. Belanghebbende liep derhalve in onvoldoende mate ondernemersrisico.

Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de coöperatie een verlengstuk is van de ondernemersactiviteiten van belanghebbende.

Het gelijk is aan de inspecteur.

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • Maandag 9 november 2020