Terechte toepassing van twaalfjaarstermijn bij navorderingsaanslag schenkingsrecht

De Hoge Raad heeft op 9 oktober 2020 uitspraak gedaan of de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaren ook bij de navordering van schenkingsrecht niet in strijd is met het EU-recht.

De vader van belanghebbende heeft in 1998 een bedrag aan haar geschonken. Deze schenking is door de vader van belanghebbende op een Zwitserse bankrekening gestort. Van de schenking is geen aangifte gedaan. De vader heeft gedurende zijn leven het beheer over de bankrekening behouden. In 2005 is hij overleden.

In 2015 heeft belanghebbende de inspecteur geïnformeerd over haar Zwitserse bankrekening. De inspecteur past vervolgens de verlengde navorderingstermijn van artikel 66 lid 1 aanhef en onder 2 SW toe en legt een navorderingsaanslag schenkingsrecht op.

In geschil is of deze navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is dit het geval.

De Hoge Raad overweegt dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU blijkt, dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16 AWR bij de heffing van inkomsten- en vermogensbelasting niet in strijd is met het EU-recht. Dit geldt dan ook bij de navordering van schenkingsrecht. Daarbij is niet van belang dat de termijn op grond van artikel 66 lid 1 aanhef en onder 2 SW pas begint te lopen op de dag van inschrijving van de akte van overlijden van de schenker of de begiftigde in de registers van de burgerlijke stand.

De navorderingsaanslag is dan ook terecht opgelegd.

Informatie

  • Internationaal, Fiscaal: Successiewet
  • Dinsdag 13 oktober 2020