Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Uitbreiding verzamelbesluit lijfrenten

Op 31 mei 2019 is er een Verzamelbesluit Lijfrenten gepubliceerd. Daarin zijn diverse goedkeuringen opgenomen. Op 16 september 2020 is dit besluit uitgebreid. De uitbreiding ziet op het tot uitkering laten komen van een lijfrente in het kader van arbeidsongeschiktheid, en op de bancaire lijfrente voor afkoop van alimentatieverplichtingen.

Afkoop lijfrente bij arbeidsongeschiktheid

Als een belastingplichtige langdurig arbeidsongeschikt is, kan hij zijn lijfrente onder voorwaarden (gedeeltelijk) afkopen zonder dat revisierente is verschuldigd. Eén van deze voorwaarden is dat het afkoopbedrag niet hoger is dan € 41.791 (2020) per jaar, dan wel het gemiddelde van het belastbaar inkomen (feitelijk: de premiegrondslag + AOW-franchise) over de laatste twee jaar als dat hoger is. De uitkering is dan wel belast, maar er wordt geen revisierente over berekend.

Volgens de letterlijke wettekst kan dit onwenselijk uit kunnen vallen wanneer een belastingplichtige een net iets te hoog bedrag aan lijfrente zou afkopen. Dan wordt er namelijk over het hele opgenomen bedrag revisierente in rekening gebracht.

Met de uitbreiding van het Verzamelbesluit, wordt dit voorkomen. Wanneer iemand zijn lijfrente afkoopt in verband met arbeidsongeschiktheid en de afkoopwaarde is hoger dan het genoemde maximum, dan zal alleen revisierente in rekening gebracht worden over het bedrag boven het maximum.

Deze goedkeuring kent een terugwerkende kracht: als iemand al revisierente heeft betaald over de hele (te hoge) uitkering, kan hij deze terugvorderen tot 5 jaar na het jaar van de aanslag.

Bancaire lijfrente voor afkoop partneralimentatie

In het besluit van mei 2019 is al goedgekeurd dat een bancaire lijfrente (lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht) kan worden gebruikt ter afkoop van de partneralimentatie. Tot dan toe kon dat alleen via een verzekerde lijfrente.

Deze goedkeuring verandert niet inhoudelijk, maar wordt redactioneel verduidelijkt. Die verduidelijking ziet op de uitkering van de bancaire lijfrente aan de ex-partner.

Daarvoor wordt in de goedkeuring een extra voorwaarde toegevoegd, die luidt:
“De termijnen van de lijfrente moeten onmiddellijk na het betalen van de afkoopsom ingaan. De in artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 opgenomen uiterste ingangsdatum en de minimale looptijd van de termijnen blijven hierbij buiten beschouwing.”

In het artikel 3.126a, lid 4 onder a, staan de uiterste ingangsdata en looptijden van de ontvanger van uitkeringen bij in leven zijn. Bijvoorbeeld dat de lijfrente uiterlijk moet uitkeren in het jaar dat de rekeninghouder de AOW-leeftijd + 5 jaar bereikt. Of dat de uitkeringsduur minimaal 5 jaar (na AOW-leeftijd en afhankelijk van de hoogte) of 20 jaar is (afhankelijk van de leeftijd ontvanger).

Deze uitbreiding is in zekere zin logisch, omdat de lijfrente-uitkeringen anders (veel) langer zouden kunnen duren dan de alimentatieverplichting zou hebben geduurd. Ook zou het, zonder deze uitbreiding van het besluit, niet mogelijk zijn om een dergelijke alimentatielijfrente aan te gaan als de ex-partner al ouder is dan 5 jaar na de AOW-leeftijd.

Nu is dus verduidelijkt dat deze minimale termijn of maximale leeftijd niet geldt voor de bancaire alimentatielijfrente.

Informatie

  • Vermogen
  • EQF 5
  • Maandag 28 september 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships