Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Uniforme loonwaardebepaling bij bepaling loonkostensubsidie Participatiewet

De overheid streeft naar een inclusieve arbeidsmarkt waarbij ook mensen met een arbeidsbeperking participeren op de arbeidsmarkt. Voor de personen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, kent de Participatiewet een loonkostensubsidie. Deze bedraagt maximaal 70% van het minimumloon en bestaat uit het verschil tussen loonwaarde van de werknemer met het minimumloon. Vanaf 1 juli 2021 is een uniforme loonwaardebepaling van toepassing.

Doel van de Participatiewet

De Participatiewet (Pw) is ingegaan op 1 januari 2015. Binnen deze wet zijn drie wetten samengevoegd namelijk de Werk werk en bijstand maar ook de Wet sociale werkvoorziening (WSW) en een deel van de Wajong dat geldt voor de jonggehandicapten die wel arbeidsvermogen hebben.

Sinds 1 januari 2015 is de Wajong alleen nog maar toegankelijk wanneer de jonggehandicapte door ziekte of handicap nooit meer kan werken of niet tenminste zelfstandig 20% van het minimumloon kan verdienen. Een jonggehandicapte is iedereen die voor het 18e jaar reeds de handicap of ziekte kreeg of dat iemand tussen de 18 jaar en 30 jaar al minimaal 6 maanden een opleiding volgde en toen door ziekte of handicap niet meer kan werken.

Het uitgangspunt van de Participatiewet is dat iedereen naar vermogen deelneemt (participeert) aan de samenleving en zoveel mogelijk in het eigen onderhoud voorziet. Het voornaamste doel van de Participatiewet is om zoveel mogelijk mensen met arbeidsvermogen naar werk toe te leiden of te ondersteunen bij het werk. Hierbij gaat de voorkeur uit naar betaald werk, maar als dit niet mogelijk is, kan het ook gaan om vrijwilligerswerk.

Het tweede doel van de Participatiewet is zorgen dat iedereen een inkomen heeft, ook mensen die niet in staat zijn in het eigen levensonderhoud te voorzien. De Participatiewet biedt een inkomen tot het geldende sociaal minimum in Nederland. Dit is afhankelijk van de leefsituatie tussen de 70% en 100% van het minimumloon. Daarbij geldt dus ook een vermogenstoets. De Participatiewet geldt namelijk als laatste bijstandsvangnet.  Het maximaal toegestaan vermogen in 2021 bedraagt € 6.295 voor een alleenstaande. Voor de alleenstaande ouder met kinderen jonger dan 18 jaar of twee partners (gehuwd of samenwonend) geldt het dubbele bedrag.  Zij mogen dus niet meer dan € 12.590 aan vermogen bezitten. Indien er sprake is van eigen vermogen dat in een huis vastzit, dan bestaat er de mogelijkheid van de krediethypotheek waarbij de eigenaar een lening krijgt die later weer ingelost moet worden. Dit is de zogenaamde leenbijstand. Er wordt jaarlijks aan ruim 400.000 personen bijstand verstrekt.

Wie hebben mogelijkheden tot arbeidsparticipatie?

Personen in de bijstand met arbeidsmogelijkheden moeten actief op zoek gaan naar betaald werk. Vanuit de bijstand worden ze ook verplicht om een tegenprestatie te leveren. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat iedereen die kan werken aan de slag gaat. Hiervoor krijgen gemeenten budget van de Rijksoverheid. Ook informeert de Rijksoverheid gemeenten over de financiering Participatiewet en het Besluit bijstand zelfstandigen (Bbz 2004).

De Participatiewet moet ervoor zorgen dat meer mensen werk vinden, ook mensen met een arbeidsbeperking. De eerste vraag is of mensen nog mogelijkheden hebben tot arbeidsparticipatie. Deze vaststelling gebeurt bij het UWV wanneer hiervoor het verzoek beoordeling arbeidsmogelijkheden wordt gedaan.

Indien er geen arbeidsvermogen is en indien dit duurzaam is, dan is er mogelijk recht op de Wajong (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten). Degenen die wel arbeidsmogelijkheden hebben, die vallen sinds 1 januari 2015 onder de Participatiewet.

Bij de beoordeling van het arbeidsvermogen door het UWV is het uitgangspunt dat iemand mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als hij:

  • Een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie
  • Basale werknemersvaardigheden heeft
  • Ten minste een uur aaneengesloten belastbaar is en
  • Ten minste vier uur per dag kan werken

Als er wel loonwaarde is maar mensen niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, dan is er recht op een loonkostensubsidie vanuit de Participatiewet. Daarvoor moet een loonwaardebepaling gedaan worden. Hiervoor waren allerlei verschillende methodes. Dat zorgde voor belemmeringen bij werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking aan te nemen. Daarom is er afgesproken om per 1 juli 2021 over te gaan tot een uniforme loonwaardemeting. De gedachte is dat daarmee de kans op werk voor mensen met een arbeidsbeperking toeneemt.

Bepaling van de loonwaarde

De loonwaardebepaling wordt uitgevoerd door een loonwaardedeskundige. Deze start met het vaststellen van een normfunctie, die wat betreft de werktijd die aan hoofdtaken wordt besteed voor ten minste 60% overeenkomt met de feitelijke hoofdtaken van de werknemer. Het uitgangspunt is functies die:

  • Bij de werkgever beschikbaar zijn of, als dat niet mogelijk is
  • Beschreven zijn in de toepasselijke cao of beschikbaar zijn in de betreffende sector of, als dat niet mogelijk is
  • Beschikbaar zijn op de Nederlandse arbeidsmarkt

Vervolgens bepaalt de loonwaardedeskundige de arbeidsprestatie per hoofdtaak. Maximaal 5 hoofdtaken vormen tezamen 100% van de werktijd van de werknemer.

Vanaf 1 juli 2021 geldt de uniforme loonwaardebepaling.  Daarbij wordt gestart met het vaststellen van een normfunctie die wat betreft de werktijd die aan hoofdtaken wordt besteed voor ten minste 60% overeenkomt met de feitelijke hoofdtaken van de werknemer. Vervolgens bepaalt de loonwaardedeskundige de arbeidsprestatie per hoofdtaak. Maximaal 5 hoofdtaken vormen tezamen 100% van de werktijd van de werknemer. De arbeidsprestatie per hoofdtaak wordt o.a. beoordeeld op tempo, kwaliteit en netto werktijd.  De som van de arbeidsprestaties per hoofdtaak resulteert in een percentage. Dit percentage wordt rekenkundig afgerond op hele procenten en dat is de loonwaarde. In speciale software voor de loonwaardeberekeningen komt bij het invoeren van de arbeidsprestatie van maximaal vijf hoofdtaken automatisch de loonwaarde van de werknemer naar voren waar tevens ook een mooi onderbouwd rapport voor wordt opgeleverd. Voor de beeldvorming volgt hieronder een voorbeeld van de berekening van de arbeidsprestatie en de loonwaarde.

Voorbeeldberekening arbeidsprestatie en loonwaarde

Bij het vaststellen van de arbeidsprestatie gaat het erom per beschreven hoofdtaak het tempo, de kwaliteit en de netto werktijd vast te stellen. De arbeidsprestatie van de werknemer wordt vergeleken met de norm om tot een beoordeling te komen over hoe hij ten opzichte van de norm presteert. Belangrijk is dat per hoofdtaak een kwantificering plaatsvindt en dat deze toegelicht wordt door de loonwaardedeskundige.

Tempo: voor de bepaling van tempo wordt op de werkplek vastgesteld hoeveel eenheden per tijdseenheid door de werknemer wordt geproduceerd of hoelang een werknemer over een activiteit doet. Het resultaat wordt vergeleken met dat van een werknemer in de normfunctie en wordt vervolgens uitgedrukt in een percentage van de norm.

Kwaliteit: de kwaliteit wordt gemeten door het aantal geproduceerde eenheden of diensten dat bruikbaar is vast te stellen. Het resultaat wordt vergeleken met dat van een werknemer in de normfunctie en wordt vervolgens uitgedrukt in een percentage van de norm.

Netto werktijd: voor de netto werktijd wordt beoordeeld hoeveel tijd de werknemer per tijdseenheid feitelijk besteedt aan het verrichten van handelingen behorend tot een hoofdtaak. Het resultaat wordt vergeleken met dat van een werknemer in de normfunctie en wordt vervolgens uitgedrukt in een percentage van de norm.

Vervolgens wordt een vergelijk gemaakt tussen de prestatie van de werknemer en de norm. In onderstaand schema wordt hiervan een voorbeeld gegeven. Het berekenen van de arbeidsprestatie per hoofdtaak gaat met de volgende formule:

% tijd werknemer * % tempo * % kwaliteit * % netto werktijd  

Arbeid

Arbeidsprestatie

Omschrijving

Tijd werknemer

Tempo

Kwaliteit

Netto werktijd

Prestatie t.o.v. norm

Kassa werkzaamheden

10%

10%

50%

50%

0,25%

Servicedesk werkzaamheden

10%

85%

98%

50%

4,17%

Schoonmaken winkel

10%

100%

100%

75%

7,50%

Vakkenvullen vers

40%

75%

100%

100%

30,00%

Vakkenvullen houdbaar

30%

100%

100%

100%

30,00%

Totaal

100%

 

 

 

71,92%


Om vervolgens de totale arbeidsprestatie (= het loonwaardepercentage) te berekenen worden de arbeidsprestaties van de hoofdtaken bij elkaar opgeteld. In dit voorbeeld heeft werknemer vijf hoofdtaken en is de totale arbeidsprestatie 71,92% ten opzichte van de normfunctie. Afgerond op hele procenten is de loonwaarde dus 72%.

Loonkostensubsidie

Indien betrokken werknemer niet zelfstandig in staat is om het minimumloon te verdienen dan kan er door de werkgever een loonkostensubsidie worden aangevraagd. De hoogte van de loonkostensubsidie bestaat uit het verschil tussen de loonwaarde en het minimumloon. De maximale loonkostensubsidie bedraagt 70% van het minimumloon. In bovengenoemd voorbeeld met een loonwaarde van 72% bedraagt de loonkostensubsidie dus 28% van het minimumloon  (namelijk 100% minus 72% = 28% van het minimumloon).

Informatie

  • Inkomen
  • EQF 6
  • Maandag 26 april 2021
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships