Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Van ex-partner overgenomen hypotheek is nog geen eigenwoningschuld

Bij een echtscheiding gaat terecht veel aandacht uit naar de zorg voor de kinderen, de boedelverdeling en de hoogte van de alimentatie. Ook de fiscale gevolgen van afspraken tussen scheidende echtgenoten verdienen echter de nodige aandacht. Dit blijkt maar weer eens uit de uitspraak van Hof Den Bosch van 17 december 2019 waarin het hof oordeelt over de fiscale (her)kwalificatie van de eigen woning en de hypotheek als gevolg van de bij de echtscheiding gemaakte afspraken.

Casus

Belanghebbende is in 2014 gescheiden. Zij en haar (ex)partner bezitten in 2016 gezamenlijk (beiden voor 50%) een woning. De waarde van de woning is vastgesteld op € 366.000. De hypotheek bedraagt € 242.717 en is aflossingsvrij. Zij zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld.

In het kader van de scheiding zijn belanghebbende en haar (ex)partner overeengekomen dat de lusten en lasten van de woning per 1 januari 2014 geheel aan belanghebbende worden toegerekend, onder de voorwaarde dat zij voor 1 januari 2017 laat blijken het aandeel van de (ex)partner in de woning te kunnen verwerven. In januari 2017 heeft belanghebbende haar ex-partner (tegen de waarde uit 2014:

€ 366.000) uitgekocht, waarbij de ex-partner door de hypotheekverstrekker is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

 

Belanghebbende heeft in 2016 de totale verschuldigde hypotheekrente betaald. Zij heeft in de aangifte inkomstenbelasting 2016 de woning voor 100% als eigen woning verwerkt en de betaalde hypotheekrente afgetrokken.

 

In geschil is of belanghebbende per 1 januari 2014 het volledige economisch eigendom in de woning heeft verworven. Belanghebbende stelt dat dit het geval is nu de voornoemde voorwaarde een ontbindende voorwaarde betreft. De inspecteur stelt daarentegen dat sprake is van een opschortende voorwaarde.

 

Voorts is in geschil of de gehele hypotheekschuld voor belanghebbende in 2016 kwalificeert als eigenwoningschuld. De vraag hierbij is in hoeverre (een deel van) de hypotheek moet voldoen aan de aflossingseis van artikel 3.119a Wet IB 2001.

Overwegingen en oordeel Hof Den Haag

Heeft belanghebbende het economisch eigendom verworven?

Hof Den Haag overweegt dat een opschortende voorwaarde de werking van de verbintenis eerst met het plaatsvinden van de gebeurtenis doet aanvangen; een ontbindende voorwaarde doet de verbintenis met het plaatsvinden van de gebeurtenis vervallen (artikel 6:22 BW).

 

Gelet op de tekst van de overeenkomst, de bedoeling van partijen - belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het beding enkel is opgenomen als stok achter de deur voor belanghebbende om haar ex-partner uit te kopen en dat de verkoop van de woning aan een derde nooit een serieuze optie is geweest - en het feit dat belanghebbende en haar ex-partner al vanaf 1 januari 2014 naar het beding hebben gehandeld - niet in geschil is immers dat belanghebbende vanaf 1 januari 2014 daadwerkelijk alle lasten (waaronder de hypotheekrente) heeft voldaan - kan naar het oordeel van het hof niet anders worden geconcludeerd dan dat sprake is van een verbintenis onder ontbindende voorwaarde.

 

De verbintenis tot het toerekenen van de lasten van de gehele woning aan belanghebbende krijgt daarmee vanaf 1 januari 2014 haar werking. Ditzelfde geldt voor de lusten van de woning. De koopsom die belanghebbende betaalt ter verwerving van het aandeel van haar ex-partner in de woning is immers gebaseerd op de door partijen vastgestelde waarde van de woning op 1 januari 2014.

 

Dit impliceert dat de waardeverandering na deze datum geheel aan belanghebbende toekomt, mits voor 1 januari 2017 blijkt dat belanghebbende de woning op haar naam kan overnemen per voornoemde datum. De woning is uiteindelijk op 19 januari 2017 geheel door belanghebbende verworven, waarbij, zoals onweersproken door belanghebbende is gesteld, al in december 2016 duidelijk werd dat belanghebbende bij machte was het belang van de ex-partner over te nemen, maar het niet mogelijk was de formaliteiten in diezelfde maand af te ronden. 

 

Nu de ontbindende voorwaarde zich niet in 2016, dan wel eerder, heeft voorgedaan, heeft belanghebbende per 1 januari 2014 het 50%-belang van de ex-partner in het economisch eigendom van de woning verworven en is belanghebbende daarmee ook in 2016 economisch eigenaar van de gehele woning. In het jaar 2016 drukken op basis van de overeenkomst tussen belanghebbende en haar ex-partner immers alle lasten op belanghebbende, alsmede komen alle lusten, zoals de waardeverandering, belanghebbende geheel toe. Daarmee kwalificeert de gehele woning voor belanghebbende in 2016 als eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001.

Kwalificeert de gehele hypotheekschuld als eigenwoningschuld?

Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat in ieder geval de helft van de hypotheekschuld van € 242.717 voor belanghebbende in 2016 als eigenwoningschuld kwalificeert. Deze eigenwoningschuld dateert van voor 1 januari 2013 en hoeft niet te voldoen aan de aflossingseis van artikel 3.119a Wet IB 2001.

 

Voorts staat vast dat belanghebbende op 1 januari 2014 het 50%-belang van de ex-partner in het economisch eigendom van de woning heeft verworven (zie het punt hiervoor). Op basis van de overeenkomst tussen belanghebbende en haar ex-partner komt het daarop betrekking hebbende deel van de hypotheekschuld en de daarover verschuldigde hypotheekrente met ingang van 1 januari 2014 ten laste van het vermogen van belanghebbende. Dit heeft tot gevolg dat belanghebbende met ingang van 1 januari 2014 een (voor haar nieuwe) schuld heeft ter verwerving van het aandeel van haar ex-partner in het economisch eigendom van de woning.

 

Nu deze schuld bij belanghebbende is opgekomen na 1 januari 2013, dient aan de in artikel 3.119a Wet IB 2001 opgenomen aflossingseis te worden voldaan om de schuld te kwalificeren als een eigenwoningschuld als bedoeld in voornoemd artikel. Hieraan voldoet deze schuld echter niet.

 

Ondanks het feit dat, zoals belanghebbende ter zitting heeft verklaard, zij door toedoen van haar ex-partner, de hypotheekverstrekker en de rechtbank aangaande de beschikking omtrent de echtscheiding en verdeling, niet eerder bij machte (hoewel wel bij wille) was de hypotheek, wat het nieuw aan haar toe te kennen deel van de schuld betreft, te wijzigen in lijn met de wettelijke voorschriften als opgenomen in artikel 3.119c Wet IB 2001, is het hof van oordeel dat dit deel van de schuld niet kwalificeert als eigenwoningschuld. Dit deel van de schuld valt daarom bij belanghebbende in

box 3.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Fiscaal: Wet IB
  • EQF 7
  • Dinsdag 21 januari 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships