Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Vast termijnverzekering is spaarcontract na premievrijmaking

Dit bericht betreft een samenvatting van een uitspraak van het (verwijzings)hof Den Haag.

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 10 april 2021 uitspraak gedaan (BK-BK-20/00644)  in een zaak waarbij de fiscale kwalificatie van een vaste termijnverzekering in geding was. De zaak diende al voor de Hoge Raad en werd ‘met een opdracht’ terugverwezen naar Gerechtshof Den Haag. Door middel van uitleg van de overeenkomst moest het hof, met toepassing van de Haviltex-maatstaf, de aard en inhoud ervan beoordelen.

Feiten

X heeft op 16 maart 1993 een vaste termijnverzekering afgesloten bij OHRA Levensverzekeringen NV (hierna: OHRA) met een einddatum van 16 maart 2013. Het verzekerd bedrag op de einddatum was bepaald op AUS $ 65.114,99. De polis is per 16 maart 1995 premievrij gemaakt. Op de polis staat dat het uit te keren verzekerd bedrag op de einddatum wordt verminderd met € 23.554,46 in verband met premieverlaging of premievrijmaking. Op de polis zijn de “Polisvoorwaarden Vaste Termijnverzekering (Dollargarantiepolis)” van toepassing. De inspecteur heeft de uitkering uit de vaste termijnverzekering in 2013 in de heffing betrokken. Hiermee was X het niet eens.

Wat vooraf ging

In eerste aanleg kwam de zaak voor bij de Rechtbank Noord-Holland. Deze oordeelde dat de vaste termijnverzekering niet is aan te merken als kapitaalverzekering (uitspraak van 5 juni 2018, nr. HAA 17/2621).

Hof Amsterdam oordeelt in zijn uitspraak van 16 juli 2019, nr. 18/00403, dat de vaste termijnverzekering een overeenkomst van levensverzekering is (en is gebleven) omdat in 1993 tussen X en OHRA is overeengekomen dat de premiebetaling afhankelijk is van het leven van X en het karakter van de overeenkomst moet worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de overeenkomst, zodat de latere premievrijmaking daarin geen wijziging heeft gebracht.

De Hoge Raad concludeert in zijn arrest van 4 september, nr. 19/03758, dat allereerst middels uitleg van de overeenkomst, met toepassing van de Haviltex-maatstaf, de aard en inhoud van de overeenkomst moet worden beoordeeld. Dit is in het oordeel van het hof miskend. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Den Haag.

Hof Den Haag

Het Haagse hof oordeelt in zijn uitspraak van 20 april 2021, nr. BK-20/00644, dat de overeenkomst, na de premievrijmaking, voor de heffing van de IB niet (meer) kan worden aangemerkt als een overeenkomst van levensverzekering. Immers, als gevolg van de premievrijmaking is het overlijdensrisico en daarmee het verzekeringselement verdwenen uit de overeenkomst en resteert een overeenkomst die voor de heffing van de IB moet worden aangemerkt als een spaarcontract, bestaande uit de inleg van een bedrag ineens (de tot het moment van premievrij maken opgebouwde premies) op het moment van het premievrij maken en een uitkering inclusief rente na verloop van achttien jaar. Volgens het hof bestaat er na de premievrijmaking voor partijen bij de overeenkomst geen uit het overlijdensrisico voortvloeiende onzekerheid (meer) over de financiële uitkomst van de overeenkomst. Voorts oordeelt het hof dat het verschil in aard tussen een overeenkomst mét en een overeenkomst zónder overlijdensrisico immers zo groot is dat op deze overeenkomst vóór en na de premievrijmaking niet dezelfde fiscaalrechtelijke bepalingen van toepassing kunnen zijn. Het hof concludeert dat de uitkering in het onderhavige jaar is gedaan uit hoofde van een overeenkomst die op dat moment voor de heffing van de IB moet worden aangemerkt als een spaarcontract.

Het Haagse verwijzigingshof concludeert dat de heffing over de uitkering in 2013 volgens de bepalingen van de Wet IB 2001 verloopt, tenzij de Invoeringswet Wet IB 2001 anders bepaalt. Ingevolge hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AK, lid 2 van die Invoeringswet worden de inkomsten uit vermogen gesteld op het bedrag dat in aanmerking zou zijn genomen indien de lopende termijn (van rente) op 31 december 2000, tegen de waarde in het economische verkeer die daar op dat moment aan zou kunnen worden toegekend, zou zijn genoten. Op grond van laatstgenoemde bepaling wordt de renteaangroei tussen 16 maart 1995 en 31 december 2000 in 2013 tot het inkomen in box 1 gerekend. Aangezien partijen onvoldoende concrete gegevens hebben aangeleverd over de omvang van het rentebestanddeel op 31 december 2000, heeft het hof dit bedrag zelf in goede justitie vastgesteld.

De uitspraak is op 10 mei 2021 gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Fiscaal: Wet IB, Toekomstvoorzieningen, Fiscale Aspecten, Estate Planning, Flexiblisering werk & pensioen, Financieel Gezond & Pensioenplanning, Basis, Vermogen, Inkomen, Pensioen
  • Donderdag 10 juni 2021
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships