Verhuur onderneming en de BOR SW

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 28 januari 2020 (publicatie: 4 maart 2020) uitspraak gedaan of door verhuur van de onderneming er niet meer is voldaan aan de voortzettingseis van de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet.

In 2014 heeft belanghebbende van zijn vader alle aandelen in een bv geschonken gekregen. Op het moment van schenking bezit de bv de aandelen in een andere bv die eigenaar is van een benzineservicestation. Het benzineservicestation wordt verhuurd aan een dochtervennootschap die het benzineservicestation exploiteert. Belanghebbende heeft een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling van artikel 35b SW gedaan. In 2017 is de definitieve aanslag schenkbelasting opgelegd, waarbij de voorwaardelijke vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsregeling is toegepast. 

 

Met ingang van 1 november 2015 verhuurt de dochtervennootschap het benzineservicestation aan een derde voor een periode van 5 jaar met een optieperiode van nogmaals 5 jaar. 

Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur een navorderingsaanslag schenkbelasting aan belanghebbende opgelegd, omdat door de verhuur van de onderneming binnen 5 jaar na de schenking volgens hem niet langer wordt voldaan aan het voorzettingsvereiste van artikel 35e SW.

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat met de verhuur van de onderneming in dit geval geen sprake van overdracht van de onderneming. Er heeft geen overdracht van vermogensbestanddelen plaatsgevonden. Belanghebbende blijft als verhuurder eigenaar van het ondernemingsvermogen.

De verhuur van de onderneming vormt naar het oordeel van de rechtbank geen intrekkingsgrond van de voorwaardelijke vrijstelling van de BOR. Het gelijk is aan belanghebbende.

Informatie

  • Fiscaal: Successiewet
  • Dinsdag 10 maart 2020