Verjaringscomplicaties pensioenaanspraken

Appellant in de procedure in hoger beroep (hierna: de werknemer) is in 1974, in de functie van boekhouder, in loondienst getreden bij ‘Brouwers Limonadefabriek’, een drankengroothandel. Vanaf februari 1979, derhalve 5 jaar later, is hij - in de vorm van een middelloonregeling - gaan deelnemen aan de pensioenregeling van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Drankenindustrie.

 

Zo’n 12 jaar later is de werknemer opgeklommen tot de functie directeur in loondienst van ‘HGB’, eveneens een drankengroothandel. Zijn oude en nieuwe werkgever behoorden overigens - tot 1996 - tot hetzelfde concern.

 

Van middelloonregeling naar gemitigeerde eindloonregeling

HGB heeft haar pensioen ondergebracht bij Delta Lloyd. Vanaf 1991 bouwde de werknemer bij deze verzekeraar zijn pensioen op. De betreffende pensioenregeling bij Delta Lloyd betrof een zogenoemde gemitigeerde eindloonregeling. De regeling kende aan werknemer pensioenrechten toe gerelateerd aan het aantal dienstjaren bij HGB. Vervolgens is vanaf 2004 de pensioenregeling gewijzigd van een gemitigeerde eindloonregeling naar een middelloonregeling. Delta Lloyd heeft de verzekering gebaseerd op de eindloonregeling premievrij gemaakt, waarna een tweede polis is opgemaakt, gebaseerd op een middelloonregeling.

 

In 2012 is werknemer op staande voet ontslagen. Er is geprocedeerd daaromtrent, maar de juridische positie inzake het pensioen was na die ontslagprocedure nog niet optimaal geeffectueerd. Er waren immers pensioentoezeggingen gedaan, zo meende de (inmiddels ex-)werknemer.

 

Naar de Kantonrechter

In eerste aanleg vordert de werknemer primair dat HGB wordt veroordeeld tot nakoming van de volgens hem gedane pensioentoezegging, inhoudende dat hij, qua dienstjaren, vanaf 1979 wordt opgenomen in de eindloonregeling van Delta Lloyd en dat HGB daartoe een aanvullende koopsom bij Delta Lloyd dient te storten.

 

Subsidiair stelt de werknemer dat hij met de overgang naar een pensioen op basis van middelloon, akkoord is gegaan onder de ontbindende voorwaarde dat de door hem aangeduide pensioenbreuk conform de volgens hem in 1991 gemaakte afspraken zal worden geheeld. Nu dit niet aan de orde is, is de ontbindende voorwaarde in werking getreden en bestaat derhalve geen instemming met overgang naar de middelloonregeling. Werknemers’ pensioenaanspraken vanaf 1991 dienen derhalve alsnog te worden berekend op basis van de eindloonregeling van Delta Lloyd zoals die tot 2004 luidde.      

 

De Kantonrechter is echter onverbiddelijk: de primaire vordering wordt afgewezen, deze zou zijn verjaard. Bovendien heeft de werknemer ten aanzien van de subsidiaire vordering zijn recht verwerkt, aldus de Kantonrechter, en overweegt daartoe - onder meer - dat hij tot na het einde van zijn dienstverband is blijven stilzitten; de werknemer had actie moeten ondernemen ten aanzien van zijn pensioenaanspraken.

 

De werknemer kan zich met deze conclusies niet verenigen en gaat in hoger beroep.

 

Hoger beroep; verjaring?

In de procedure in hoger beroep buigt de rechter zich, nadat het eerst een aantal (tevens) in eerste aanleg ingestelde vorderingen van de werknemer heeft afgewezen, óók over het noemenswaardige vraagstuk inzake het oordeel van de Kantonrechter omtrent het laten slagen van het beroep op verjaring door HGB.

 

Het Hof is het namelijk niet met de Kantonrechter eens dat zou zijn aangetoond dat de pensioentoezegging uit 1991 ook leidde tot een direct opeisbare verplichting, een en ander met in ogenschouw nemend de Pensioen- en Spaarfondsenwet zoals die toentertijd gold, alsmede de op dat moment gezaghebbende opvattingen omtrent affinanciering van pensioentoezeggingen.

 

Mogelijk bestonden er al wel direct opeisbare verplichtingen tot onderbrenging en financiering van de pensioentoezegging uit 1991, hierover nemen de werknemer en HGB echter tegenstrijdige standpunten in, maar het in 1991 geldende pensioenreglement, waaruit dit zou kunnen voortvloeien, is niet door HGB - op wie de bewijslast van het beroep op verjaring rust – aan de rechter voorgelegd. Het Hof deelt dan ook niet de opvatting van de Kantonrechter dat de verjaringstermijn van artikel 3:307 BW op grond van het, toen nog niet toepasselijke, artikel 6:38 BW is aangevangen in 1991.

 

Het Hof kan zich echter evenmin vinden in het standpunt van de werknemer inhoudende dat de affinanciering van de pensioentoezegging eerst op de ontslagdatum door HGB zou moeten zijn geregeld en opeisbaar werd, dan wel op 1 januari 2010, zijnde het einde van de overgangstermijn bij de invoering van artikel 7a PSW, en dat de verjaringstermijn eerst op een van die twee data zou zijn aangevangen.

 

De werknemer gaat immers voorbij aan het feit dat in het door hem overgelegde pensioenreglement van februari 2001 in artikel 4 is opgenomen dat ter waarborging van de aanspraken die voor de deelnemers uit dat reglement voortvloeien, door de werkgever bij de verzekeraar op het leven van de deelnemers pensioenverzekeringen worden gesloten tegen betaling van jaarlijkse gelijkblijvende premies, verschuldigd vanaf de datum waarop de aanspraken zijn ontstaan respectievelijk verhoogd, tot de pensioendatum.

 

Dit betekent dat in ieder geval bij de inwerkingtreding van dit gewijzigde reglement in februari 2001 de verplichting tot het storten van de premie voor de pensioentoezegging uit 1991 opeisbaar was. Ook als vervolgens aan het in de processtukken aangehaalde mailbericht van september 2004 stuitende werking wordt toegekend, geldt dat daarna een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen, zodat het Hof moet nagaan of de werknemer voor september 2009 opnieuw de verjaring heeft gestuit.

 

Nieuwe stuitingshandeling?

Een dergelijke stuitingshandeling is echter niet aangetoond. Derhalve oordeelt het Hof dat de aanspraak van de werknemer op nakoming van de affinanciering door HGB - van de beweerdelijk in 1991 aan hem gedane pensioentoezegging - in ieder geval in 2009 was verjaard.

 

Bovendien hecht het Hof belang aan het feit dat op basis van gesprekken die in 2008 zijn gevoerd, het voor de werknemer helder zou moeten zijn dat HGB de toezegging niet zou nakomen en dat de werknemer vervolgens niet in actie is geschoten.

 

Gevolg: het Hof passeert het bewijsaanbod inzake het al dan niet bestaan van de pensioentoezegging uit 1991 ‘‘als niet meer ter zake doend’’. De werknemer haalt zijn gram niet, het vonnis van de Kantonrechter wordt bekrachtigd.

Informatie

  • Algemeen, Financieren, Toekomstvoorzieningen, Uit dienst/Ontslag, Recht: Overig, Pensioen Civiel, Einde dienstverband
  • Maandag 25 maart 2019