Verkrijging woning niet vrijgesteld van overdrachtsbelasting

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 24 december 2019 uitspraak gedaan of de verkrijging van een woning door het beëindigen van een 39 jaar durende relatie vrijgesteld is van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15 eerste lid onderdeel g WBR.

Belanghebbende had sinds 1978 een relatie met de heer B. Zij hebben in 2004 een samenlevingsovereenkomst ondertekend. De heer B heeft in 2012 een woning gekocht.

In 2017 is de relatie beëindigd. Belanghebbende heeft de woning verkregen voor

€ 205.000. Zij heeft € 4.100 overdrachtsbelasting betaald.

 

In geschil is of de verkrijging van de woning is vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15 eerste lid onderdeel g WBR. Belanghebbende stelt dat, mede gezien de duur van de relatie, de facto, een gemeenschap was ontstaan. De woning is volgens belanghebbende in 2012 betaald uit gezamenlijk vermogen en de woning is door gemaakte afspraken tot het gezamenlijk vermogen gaan behoren.

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant overweegt dat niet in geschil is dat de heer B in 2012 de woning in het geheel heeft verkregen. De rechtbank oordeelt derhalve dat er geen sprake is van een gezamenlijke verkrijging, waardoor niet voldaan is aan de voorwaarde voor gelijkstelling met gehuwden.

 

Aangezien de woning uitsluitend eigendom van de heer B was, kan volgens de rechtbank voor de woning geen gemeenschap in de zin van titel 7 Boek 3 BW hebben bestaan, en daarmee ook geen verkrijging van belanghebbende vanuit een gemeenschap.

 

Het gelijk is aan de inspecteur.

Informatie

  • Fiscaal: Overig
  • Dinsdag 21 januari 2020