Voortgezet ondernemerschap kwalificeert niet voor de BOR

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 26 november 2019 uitspraak gedaan of de verhuur van een benzinestation met bijbehorende exploitatievergunning een onderneming in de zin van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de Successiewet is.

De vader van belanghebbende bezit alle A-aandelen in L BV. Deze bv bezit 50% van de aandelen J BV. J BV bezit een benzinestation en heeft een vergunning voor de exploitatie van een benzinestation. Tot 1992 exploiteerde J BV het benzinestation. Vanaf 1992 verhuurt J BV de vergunning en het benzinestation aan een derde. De vader overlijdt in 2011, waardoor belanghebbende een deel van zijn aandelen erft.

 

In geschil is of L BV ten tijde van het overlijden van de vader een onderneming drijft en dat derhalve de BOR van toepassing is. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat L BV met J BV op de overlijdensdatum een onderneming als bedoeld in de Wet IB 2001 drijft. Volgens belanghebbende heeft J BV door de verhuur van onderneming aan een derde de onderneming niet gestaakt, maar in een andere vorm voortgezet, waardoor er sprake is van voortgezet ondernemerschap (zie BNB 1955/216). Belanghebbende stelt dat het voortgezet ondernemerschap ook als onderneming voor de BOR kwalificeert.

 

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat er geen sprake is van een objectieve onderneming. Het hof oordeelt dat belanghebbende niet voor de BOR in aanmerking komt.

Informatie

  • Fiscaal: Successiewet
  • Maandag 9 december 2019