Voorziening borgstelling niet toegestaan

Rechtbank Gelderland heeft op 19 september 2019 (publicatie 2 december 2019) uitspraak gedaan of in verband met de aansprakelijkheid door een borgstelling een voorziening mag worden gevormd.

Belanghebbende is DGA. Zijn bv is (indirect) enig aandeelhouder van F BV en (direct) enig aandeelhouder van H BV. Deze vennootschappen gaan in 2013 failliet. Belang-hebbende is als borg hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schulden van deze vennootschappen. In 2015 is belanghebbende failliet verklaard.

 

In geschil is of belanghebbende in 2014 een voorziening in box 1 kan vormen inzake de borgstellingen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij een voorziening mag vormen omdat hij na beëindiging van het persoonlijke faillissement hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de schulden van de vennootschappen en dat hij de theoretische verdiencapaciteit heeft om het bedrag te betalen. 

 

Rechtbank Gelderland overweegt dat door het aan goed koopmansgebruik ten grondslag liggende realiteitsbeginsel een voorziening niet kan worden gevormd voor kosten waarvan vaststaat of zo goed als zeker is dat deze nooit zullen worden betaald.

Volgens de rechtbank heeft belanghebbende zijn stelling over zijn verdiencapaciteit niet onderbouwd. Hierdoor heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij betalingen in de orde van grootte van de in 2014 gevormde voorzieningen daadwerkelijk zal verrichten. De rechtbank acht het daarom zo goed als zeker dat belanghebbende niet tot betaling van de borgstellingsverplichtingen zal komen. Dit betekent dat belanghebbende geen voorziening mag vormen. 

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • Dinsdag 10 december 2019