Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Vraag & Antwoord 19-002 Afkoopwaarde en afkoopkorting ingegaan partnerpensioen

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft op 27 juni 2019 een nieuw Vraag & Antwoord gepubliceerd. Het betreft de afkoopwaarde en afkoopkorting bij afkoop ingegaan partnerpensioen.  

 

Op grond van artikel 38n Wet LB 1964 is het vanaf 1 april 2017 tot 1 januari 2020 mogelijk om het in eigen beheer verzekerde deel van de opgebouwde pensioenaanspraak af te kopen of om te zetten in ODV. Bij afkoop bestaat de mogelijkheid dat op grond van artikel 38o Wet LB 1964 een korting op de te belasten afkoopwaarde mag worden toegepast.

 

Vraag is nu hoe deze afkoopmogelijkheid uitwerkt als de DGA na 2015 is overleden en de partner van de DGA vanuit het eigenbeheerlichaam partnerpensioenuitkeringen ontvangt.

 

Normaliter geldt bij afkoop van de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak dat vanaf 1 april 2017 t/m 2019 de korting wordt berekend over het laagste bedrag van:

  • de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting op het moment van afkoop;
  • de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting op de eindbalans van het in 2015 geëindigde boekjaar.

Dit vloeit voort uit artikel 38o Wet LB 1964.

 

Vergelijken wij beide fiscale balanswaarden, dan kunnen we constateren dat de fiscale balanswaarde van het partnerpensioen op de eindbalans van het boekjaar 2015 doorgaans veel lager is dan de afkoopwaarde van het partnerpensioen na het overlijden van de DGA.

 

Dat komt omdat de DGA ultimo 2015 nog in leven was, waardoor de fiscale waarde van het partnerpensioen anders wordt berekend.

Het partnerpensioen in de totale pensioenverplichting ultimo 2015 wordt in de regel berekend op basis van een uitgesteld partnerpensioen met uitgestelde dekking dat ingaat vanaf de pensioendatum.

Het partnerpensioen na het overlijden van de DGA wordt berekend als een direct ingaand partnerpensioen, waarvan de waarde, mede afhankelijk van de leeftijd van de partner, (veel) hoger is dan van een uitgesteld partnerpensioen.

 

Dit betekent dat bij afkoop van het partnerpensioen (tot 1 januari 2020) de afkoopkorting slechts over de fiscale waarde van een uitgesteld partnerpensioen mag worden berekend, zodat over de stijging van de fiscale balansverplichting van het (direct ingaande) partnerpensioen geen afkoopkorting kan worden toegepast.

 

Aangezien de maatregel van artikel 38n, lid 3 Wet LB 1964 in de hiervoor beschreven situatie onbedoelde nadelige gevolgen heeft, kan in deze situatie kan een verzoek om toepassing van het hardheidsclausulebeleid worden gedaan bij het Ministerie van Financiën. In dat geval kan bij de vaststelling van de grondslag voor bepaling van de afkoopkorting wel de stijging van de pensioenverplichting worden meegenomen.

 

Bij dit verzoek moeten in ieder geval de volgende berekeningen worden overlegd:

  • de afkoopwaarde van het partnerpensioen op het moment van afkoop;
  • de fiscale balanswaarde van de verplichting voor het partnerpensioen ultimo het boekjaar 2015 op basis van een uitgesteld partnerpensioen met uitgestelde dekking;
  • de fiscale balanswaarde van de verplichting voor het partnerpensioen ultimo het boekjaar 2015 alsof de DGA al ultimo het boekjaar 2015 was overleden.

Tot slot zij opgemerkt dat er een verschil kan bestaan tussen de balanswaardering van het pensioen in intern of zuiver eigen beheer (werk-BV) en in extern eigen beheer (Holding BV, Pensioen BV).

In geval van extern eigen beheer is het mogelijk dat het partnerpensioen al op basis van een direct ingaande uitkering in de pensioenverplichting is opgenomen. Is dat het geval, dan is een verzoek tot toepassing van de hardheidsclausule niet nodig.

 

 

 

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Toekomstvoorzieningen, Fiscale Aspecten, Fiscaal: Overig, Pensioen LB, Pensioen VpB, PEB
  • Woensdag 3 juli 2019
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships