Wanneer is sprake van uitgroeien werkzaamheid tot onderneming?

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 28 januari 2020 (publicatie 7 februari 2020) uitspraak gedaan of er sprake is van het uitgroeien van een werkzaamheid tot een ib-onderneming, waardoor de boekwaarde van een tbs-pand kan worden doorgeschoven naar de ib-onderneming.

Belanghebbende en haar echtgenoot stellen - ieder voor de helft - een schuur ter beschikking aan de bv van de echtgenoot van belanghebbende. In de loop op der jaren is de onderneming van de bv sterk ingekrompen. Begin 2014 zetten belanghebbende en haar echtgenoot de activiteiten van de bv voort in een vof (winstgerechtigdheid belanghebbende: 1/3). Zij brengen de schuur in de vof in. Beide firmanten hebben de schuur geëtiketteerd als verplicht ondernemingsvermogen.

 

In geschil is of op grond van artikel 3.99 Wet IB 2001 de boekwaarde van de schuur kan worden doorgeschoven naar de ondernemingsbalans. Volgens de inspecteur is er geen sprake van ‘uitgroeien tot een onderneming’.

 

Hof Arnhem-Leeuwarden verwijst naar het arrest van 13 mei 2016 (ECLI:NL:HR:2016:831) waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat ‘uitgroeien’ ook een wijziging van de context van de werkzaamheid kan zijn, in die zin dat de belastingplichtige gerechtigd wordt in het vermogen van de onderneming waaraan hij het desbetreffende vermogensbestanddeel ter beschikking stelde, en dat vermogensbestanddeel daardoor gaat behoren tot zijn ondernemingsvermogen. Daarvan is hier sprake.

 

Tevens staat volgens het hof de wijziging van de winstgerechtigdheid de toepassing van artikel 3.99 Wet IB 2001 niet in de weg.

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • Maandag 10 februari 2020