Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Wanneer negatieve inkomsten artikel 3.90 Wet IB 2001?

De kinderopvangtoeslag heeft maatschappelijk het nodige stof doen opwaaien. Veel ouders hebben ten onrechte de ontvangen toeslag moeten terugbetalen.

De Hoge Raad heeft op 27 maart 2020 uitspraak gedaan over de fiscale gevolgen in een zaak waarin een opa tegen een vergoeding op zijn kleinkinderen past en zijn dochter daadwerkelijk ten onrechte hiervoor kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, waarop opa besluit de door hem ontvangen vergoeding terug te betalen. 

 

De casus

Belanghebbende is in 2003 begonnen met de opvang van de kinderen van zijn dochter. Hij heeft na een paar jaar zijn dochter verteld dat zij kinderopvangtoeslag kon aanvragen. Belanghebbende heeft vervolgens het initiatief genomen om samen met zijn dochter een afspraak te maken bij een gastouderbureau. Naar aanleiding hiervan zijn op 1 februari 2009 twee overeenkomsten gesloten:

  1. Een overeenkomst voor kinderopvang tussen de dochter van belanghebbende en het Gastouderbureau en 
  2. Een overeenkomst voor kinderopvang tussen de dochter en belanghebbende.

De dochter vraagt daarna kinderopvangtoeslag aan bij de Belastingdienst/Toeslagen. De door haar ontvangen voorschotten betaalt zij aan het gastouderbureau. Belanghebbende wordt voor zijn werkzaamheden voor de kleinkinderen betaald door het gastouderbureau. Belanghebbende heeft de van het gastouderbureau voor het gastouderschap ontvangen bedragen steeds als resultaat uit overige werkzaamheden (artikel 3.90 Wet IB 2001) in zijn aangiften inkomstenbelasting verwerkt.

 

Na een paar jaar beslist de Belastingdienst/Toeslagen dat de dochter de als voorschot ontvangen bedragen kinderopvangtoeslag moet terugbetalen. Het betreft een bedrag van € 25.209. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2014 geoordeeld dat de dochter geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 en dat de Belastingdienst/Toeslagen deze aanspraak derhalve terecht op nihil heeft gesteld.

De dochter heeft daarop in 2014 een bedrag van € 25.209 aan de Belastingdienst/Toeslagen terugbetaald. Dit bedrag heeft de dochter voorafgaande aan de terugbetaling van belanghebbende ontvangen.

 

Belanghebbende heeft een deel van het terugbetaalde bedrag (€ 20.894) in de aangifte inkomstenbelasting 2014 opgenomen als negatieve inkomsten op het resultaat uit overige werkzaamheden (artikel 3.90 Wet IB 2001).

De inspecteur staat aftrek van dit bedrag echter niet toe. Rechtbank Den Haag en Hof Den Haag zijn het daar mee eens.

Overwegingen en oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad concludeert dat het juridische uitgangspunt, dat Hof Den Haag heeft gehanteerd, juist is. Het door belanghebbende aan zijn dochter betaalde bedrag kan in aanmerking worden genomen als negatieve inkomsten indien deze betaling in causaal verband staat met de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. Het is aan belanghebbende om feiten en/of omstandigheden te stellen en in geval van betwisting aannemelijk te maken die tot het oordeel leiden dat de betaling in causaal verband staat tot de verrichte werkzaamheden. Als die oorzaak ligt in de familieverhoudingen kan geen aftrek plaatsvinden. 

 

Het hof heeft geoordeeld dat de betaling haar oorzaak vond in de familieverhoudingen. Het hof baseert zich op de stelling van de inspecteur dat, ook al zou er, zoals belanghebbende heeft gesteld, tussen hem en de dochter een mondelinge overeenkomst bestaan dat bij terugvordering van de kinderopvangtoeslag belanghebbende aan de dochter het teruggevorderde bedrag zou betalen, belanghebbende niet bereid was geweest om met een willekeurige derde overeen te komen dat hij een eventuele terugbetaling van het voorschot voor zijn rekening zou nemen. Het hof is ervan uitgegaan dat die stelling van de inspecteur waar is omdat belanghebbende die stelling niet heeft weersproken.

Volgens belanghebbende heeft hij deze stelling van de inspecteur tijdens de mondelinge behandeling impliciet weersproken. Of dat het geval is, vereist een beoordeling van de verklaringen die voor het hof zijn afgelegd. Omdat de Hoge Raad niet over de feiten mag oordelen, kan deze klacht alleen succesvol zijn als de hiervoor bedoelde vaststelling van het hof onbegrijpelijk is. Dat is echter niet het geval. De Hoge Raad oordeelt dat aftrek van het bedrag van € 20.894 niet mogelijk is.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Fiscaal: Wet IB
  • EQF 7
  • Dinsdag 7 april 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships