Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Welke commerciële waarde moet worden afgestort bij echtscheiding?

Op 14 februari 2020 heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan over de vraag tegen welke waarde het aan de vrouw toekomende deel van het door de door de man in eigen beheer opgebouwde pensioen in het kader van echtscheiding moet worden afgestort bij een externe verzekeraar. Is dat de waarde op het moment van afstorten of is dat de waarde op het moment van de echtscheiding?

 

Op 4 oktober 2019 had de Advocaat-Generaal al zijn conclusie gegeven in deze zaak.

Waar ging het concreet om?

Op 23 maart 2012 was de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen waren het erover eens dat het tot deze peildatum in eigen beheer opgebouwde pensioen moest worden verevend. Onbetwist was ook dat afstorting van het aan de vrouw komende deel van het pensioen moest plaatsvinden tegen de commerciële waarde. Partijen waren het er echter niet over eens op welk tijdstip die waarde moest worden vastgesteld.

 

Het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenen werd door een pensioendeskundige (prof. Mr. H.M. Kapelle) op de peildatum vastgesteld op:

 

  • Ouderdomspensioen                     € 12.287
  • Bijzonder partnerpensioen          € 17.202

In eerste aanleg had de vrouw verzocht tot afstorting van een bedrag van € 160.000 bij een externe verzekeraar. Dit verzoek werd door de rechtbank toegewezen. Vervolgens is dat bedrag door de vennootschap van de man afgestort.

 

In hoger beroep heeft de vrouw daarna haar verzoek tot afstorting van het haar toekomende deel van de pensioenaanspraken verschillende keren gewijzigd en betoogd dat het haar in dat verband toekomende bedrag hoger was dan in eerste aanleg door partijen en de rechtbank tot uitgangspunt was genomen. De pensioendeskundige had de commerciële waarde van de pensioenaanspraken op het moment van echtscheiding bepaald op € 302.372. Op 1 januari 2018, de datum van afstorting, zou die commerciële waarde volgens de pensioendeskundige € 357.089 hebben bedragen.

 

Volgens Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden moest van de commerciële waarde op de peildatum worden uitgegaan en niet van de commerciële waarde op de datum van afstorting. Het Hof erkende weliswaar dat bij afstorting per 1 januari 2018 een hoger bedrag nodig was dan op de peildatum (23 maart 2012), maar achtte het – mede gelet op de postrelationele solidariteit – niet redelijk dit ten laste van de man te laten komen.

 

De Advocaat-Generaal deelt de mening van het Hof niet. Bij het recht op afstorting gaat om afstorting van het kapitaal dat op het moment van afstorting nodig is om de aanspraken van de tot verevening gerechtigde echtgenoot te verzekeren. Dat is de commerciële waarde van het aan de vrouw toekomende deel van de in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken op het moment van afstorting.

 

De Hoge Raad bevestigt deze conclusie en geeft aan dat als een rechtspersoon een pensioentoezegging doet, die rechtspersoon ervoor moet zorgen dat te zijner tijd voldoende kapitaal beschikbaar moet zijn om die verplichting te kunnen nakomen. Dit impliceert dat op het tijdstip van echtscheiding bepaald moet worden wat de hoogte is van de pensioenaanspraak van de tot verevening gerechtigde echtgenoot is, maar dat de commerciële waarde van die aanspraak, zijnde het bedrag dat nodig is om die pensioenaanspraak bij een externe pensioenverzekeraar af te storten, vastgesteld moet worden op het moment van afstorting tegen de dan geldende grondslagen, waaronder de marktrente.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Toekomstvoorzieningen, Pensioen, Uit elkaar gaan, Echtscheiding
  • Maandag 17 februari 2020
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships