Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Wetgeving 2021 – (vermogende) particulier

Op 15 december 2020 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Belastingplan 2021. In dit bericht zijn onder andere de belangrijkste belastingcijfers en wijzigingen per 1 januari 2021 voor de vermogende particulier opgenomen. De bedragen tussen haakjes zijn de bedragen van 2020. De belastingcijfers zijn mede ontleend aan een publicatie van het Ministerie van Financiën van 15 december 2020.

Inkomstenbelasting

Tarief box 1

Voor personen jonger dan de AOW-leeftijd:

Belastbaar inkomen meer danDoch niet meer danBelastingtariefBelastingheffing
-€ 68.50737,10%€ 25.416
€ 68.507 49,50% 


Voor AOW-gerechtigden geboren na 1946:

Belastbaar inkomen meer danDoch niet meer danBelastingtariefBelastingheffing
-€ 35.12919,20%€   6.744
€ 35.129€ 68.50737,10%€ 19.127
€ 68.507 49,50% 


Voor AOW-gerechtigden geboren voor 1946:

Belastbaar inkomen meer danDoch niet meer danBelastingtariefBelastingheffing
-€ 35.94119,20%€   6.901
€ 35.941€ 68.50737,10%€ 18.983
€ 68.507 49,50% 


Het basistarief wordt in stapjes verder verlaagd tot 37,03% in 2024. Voor AOW-gerechtigden wordt het tarief over de eerste schijf in stapjes afgebouwd naar 19,13% in 2024.

Eigen woning

  • Het eigenwoningforfait bedraagt:
Als de WOZ-waarde meer is danMaar niet meer danIs het forfaitpercentage
 -€ 12.500nihil
€ 12.50025.0000,20%
25.00050.0000,30%
50.00075.0000,40%
75.0001.110.0000,50%
1.110.000en hoger€ 5.550 plus 2,35% over WOZ-waarde boven
€ 1.110.000


In 2023 wordt het eigenwoningforfait verlaagd naar 0,45%. Het eigenwoningforfait voor woningen van meer dan € 1.110.000 blijft 2,35%

  • Beperking hypotheekrenteaftrek: in 2021 bedraagt het maximale aftrekpercentage 43% (46%). De hypotheekrenteaftrek wordt in twee stappen van circa 3% afgebouwd naar maximaal 37,05% in 2023
  • Uitfasering aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld: sinds 1 januari 2019 wordt deze aftrek over 30 jaar uitgefaseerd. De aftrek wordt jaarlijks met 3 1/3% verlaagd. In 2021 kan 90% (93 1/3%) van het verschil tussen de voordelen uit eigen woning en de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten in aftrek worden gebracht
  • Kapitaalverzekering eigen woning en spaarrekening of beleggingsrecht eigen woning: het rentevoordeel begrepen in de uitkeringen uit een kapitaalverzekering, een spaarrekening of een beleggingsrecht eigen woning tezamen is onbelast als de uitkering niet meer bedraagt dan € 171.000
    (€ 168.500)

Lijfrenteverzekering, -spaarrekening of -beleggingsrecht

Bedragen (hierna: premies), die zijn betaald voor een lijfrenteverzekering, voor een lijfrentespaarrekening of een -beleggingsrecht, zijn onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar. Indien is voldaan aan de voorwaarden voor lijfrentepremie-aftrek, gelden vervolgens voor de hoogte van de premie-aftrek de volgende regels:

  • Premies zijn aftrekbaar voor zover de belastingplichtige een pensioentekort heeft en jonger is dan de AOW-leeftijd. De hoogte van het aftrekbare bedrag moet worden bepaald aan de hand van de jaarruimte of de reserveringsruimte. Bij de berekening van de jaarruimte zijn het inkomen en de pensioenaangroei van het voorafgaande kalenderjaar bepalend
  • De jaarruimte bedraagt 13,3% (13,3%) van de premiegrondslag: maximaal
    € 13.236 (€ 12.986)
  • De reserveringsruimte bedraagt in het jaar van aftrek ten hoogste 17% van de premiegrondslag met een maximum van € 7.489 (€ 7.371). Voor de belastingplichtige die bij begin van het kalenderjaar de leeftijd van 56 jaar en 4 maanden heeft bereikt, wordt het maximumbedrag van € 7.489 (€ 7.371) verhoogd tot € 14.785 (€ 14.552).
    Premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering en premies van lijfrenten voor meerderjarige invalide (klein)kinderen zijn niet gebonden aan een maximaal aftrekbedrag
  • De maximale premiegrondslag bij de berekening van de jaarruimte is € 112.189
    (€ 110.111)
  • De in te bouwen AOW-franchise bij de berekening van de jaarruimte is € 12.672
    (€ 12.472)
  • Voor tijdelijke oudedagslijfrenten is het maximumbedrag van de jaaruitkering
    € 22.443 (€ 22.089)

De afkoop van een lijfrente met een waarde in het economische verkeer van maximaal € 4.547 (€ 4.475) wordt alleen in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. De berekening van de revisierente - die normaliter verschuldigd is bij afkoop - blijft achterwege.

Heffing box 3

  
Tarief31% (30%)
Heffingvrij vermogen€ 50.000 (€ 30.846)
Vrijstelling groene beleggingen€ 60.429 (€ 59.477)
Vrijstelling voor een uitvaartverzekering€  7.348 (€    7.232)
Vrijstelling voor contant geld€      552 (€       543)
 
Schuldendrempel €     3.200 (€ 3.100)
Indien de belastingplichtige een partner heeft, moet - ongeacht de toedeling van bezittingen en schulden - een schuldendrempel van € 6.400 (€ 6.200) in aanmerking worden genomen.


Het gehanteerde spaarrendement voor 2021 is 0,03% (0,07%) en het gehanteerde beleggingsrendement is 5,69% (5,28%). De heffing in box 3 vindt over 2021 per belastingplichtige dan als volgt plaats:

Schijf Heffingvrij vermogenRendement per schijf (afgerond)Marginaal heffingspercentage (afgerond)
€                0€     50.000€ 50.0001,90%0,589%
€       50.000€   950.000 4,50%1,395%
€     950.000  5,69%1,764%


In een brief aan de Tweede Kamer van 16 oktober 2020 geeft de staatssecretaris aan dat hij een opdracht heeft gegeven tot een extern onderzoek naar de praktische mogelijkheden van het belasten van het werkelijke rendement. De resultaten van het onderzoek worden in het voorjaar van 2021 aan de Tweede Kamer gezonden.

Naast dit onderzoek wint de staatssecretaris op een zo kort mogelijke termijn juridisch advies in bij deskundigen voor een mogelijke tegenbewijsregeling in box 3. Belastingplichtigen met vooral of uitsluitend spaargeld ervaren de huidige heffing nog altijd als te hoog. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om oudere belastingplichtigen die hun spaargeld aanwenden als (aanvullend) pensioen. De staatssecretaris streeft ernaar om begin 2021 een beeld te hebben van de mogelijkheden met betrekking tot een tegenbewijsregeling.

Persoonsgebonden aftrek

Contante giften komen vanaf 2021 niet meer in aanmerking voor de giftenaftrek.

In 2021 bedraagt het maximale aftrekpercentage 43% (46%). De aftrek wordt in twee stappen van circa 3% afgebouwd naar maximaal 37,05% in 2023.

Heffingskortingen

Heffingskorting

Personen jonger dan AOW-leeftijd

Personen met AOW-leeftijd en ouder

 

2021

2020

2021

2020

Maximale algemene heffingskorting

€ 2.837

€ 2.711

€ 1.469

€ 1.413

Start afbouw vanaf inkomen

€ 21.043

€ 20.711

€ 21.043

€ 20.711

Afbouwpercentage

5,977%

5,672%

3,093%

2,954%

Algemene heffingskorting nul bij inkomen

€ 68.507

€ 68.507

€ 68.507

€ 68.507

Maximale arbeidskorting

€ 3.837

€ 3.595

€ 1.987

€ 1.873

Afbouwpercentage

6,0%

6,0%

3,105%

3,124%

Arbeidskorting nul bij inkomen

€ 105.753

€ 98.604

 

€ 105.753

€ 98.604

 

Jonggehandicaptenkorting

€ 761

€ 749

 

 

Ouderenkorting

 

 

€ 1.703

€ 1.622

Ouderenkorting nul bij inkomen

 

 

€ 49.323

€ 48.185

Alleenstaande ouderenkorting

  

€ 443

€ 436

Levensloopverlofkorting (per jaar van deelname tot 2012)

€ 223

€ 219

 

 

Korting groene beleggingen

0,7%

0,7%

0,7%

0,7%

Erf- en schenkbelasting

  • Tarief

Deel van de belaste verkrijging

Tariefgroep 1

(partner of afstammelingen in de rechte lijn)

Tariefgroep 1A

(afstammelingen in de tweede of verdere graad)

Tariefgroep 2

(overige verkrijgers)

€ 0             - € 128.751

10%

18%

30%

€ 128.751 - hoger

20%

36%

40%

In 2020 was de grens tussen de twee schijven € 126.723.

  • Vrijstellingen

Erfbelasting

2021

2020

Partners

671.9101

661.328

Kinderen en kleinkinderen

  21.282

  20.946

Zieke of gehandicapte kinderen, door overleden ouder onderhouden

  63.836

  62.830

Ouders

  50.367

  49.603

Overige verkrijgers

    2.244

    2.208

 

Schenkbelasting

 

 

Kinderen

    6.6042

    5.515

Kinderen 18 – 40 jaar (eenmalig)

  26.881

  26.457

Kinderen 18 – 40 jaar (eenmalig bij besteding voor studie3)

  55.996

  55.115

Kinderen 18 – 40 jaar (eenmalig bij besteding voor eigen woning4)

105.302

103.643

Overige verkrijgers 18 – 40 jaar (eenmalig bij besteding voor eigen woning5)

105.302

103.643

Overige verkrijgers (o.a. kleinkinderen)

    3.2446

    2.208

  • Ondernemingsvermogen: een verkrijging van ondernemingsvermogen is tot een waarde van € 1.119.845 (€ 1.102.109) van de objectieve ondernemingen voor 100% vrijgesteld. Voor ondernemingen die meer waard zijn dan € 1.119.845
    (€ 1.102.109) geldt voor het meerdere verkregene een vrijstelling van 83%. Voor de belasting die dan eventueel nog is verschuldigd over het niet-vrijgestelde deel kan 10 jaar uitstel van betaling worden verkregen.

Overdrachtsbelasting

Het tarief van de overdrachtsbelasting voor tweede woningen en niet-woningen bedraagt per 1 januari 2021 8% (6%).

Starters op de woningmarkt hebben met ingang van 1 januari 2021 een eenmalige vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging van een eigen woning. Vanaf 1 april 2021 geldt dat de woning niet duurder mag zijn dan € 400.000. Dit bedrag jaarlijks wordt geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van de gemiddelde WOZ-waarde.

Om voor de vrijstelling in aanmerking te komen, dient de verkrijger te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • Hij/zij is meerderjarig en jonger dan 35 jaar
  • Hij/zij verkrijgt een woning of een recht waaraan een woning is onderworpen
  • Hij/zij gaat de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruiken
  • Hij/zij heeft de vrijstelling nog niet eerder gebruikt

Ook verkrijgers die aan alle voorwaarden voldoen, maar wel al voor 1 januari 2021 eigenaar zijn van een woning (jonge doorstromers), komen ook in aanmerking voor deze eenmalige vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de koop van een volgende woning.
De vrijstelling loopt in beginsel tot 2026. In het voorjaar 2025 is een evaluatie gepland, waarna wordt vastgesteld of deze wetgeving effectief is.

Andere natuurlijke personen – niet zijnde starters/jonge doorstromers – die een woning kopen, hebben recht op de toepassing van het verlaagde tarief van 2%, mits zij de woning kopen om deze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken.

Voor de toepassing van de startersvrijstelling en het tarief van 2% is een vereiste dat de verkrijger onmiddellijk voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud schriftelijk verklaart de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Er zijn nadere regels gesteld met betrekking tot deze verklaring. In de verklaring moeten onder andere alle gegevens worden opgenomen die noodzakelijk zijn voor uitvoering en toezicht door de Belastingdienst. Indien de verkrijger een beroep doet op de startersvrijstelling, zal de verkrijger ook op het formulier moeten verklaren dat hij of zij deze vrijstelling niet eerder heeft toegepast. Indien er meer verkrijgers zijn, zal iedere verkrijger afzonderlijk een verklaring moeten aanleveren.

De schriftelijke verklaring hoeft niet op het moment direct voorafgaande aan de transactie bij de notaris te worden afgegeven. Er geldt een ruimere periode, mits de schriftelijke verklaring aan de notaris wel op enig moment voorafgaande aan de transactie plaatsvindt en deze verklaring aan de akte wordt gehecht. De standaardformulieren waarvan gebruik moet worden gemaakt, zijn beschikbaar via de website van de Belastingdienst en kunnen daarvan gedownload worden.

De inspecteur beoordeelt achteraf, maar binnen de gebruikelijke naheffingstermijnen, of de verkrijger de woning daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken. De beoordeling zal plaatsvinden door een onderzoek naar de feiten en omstandigheden.

Ingeval onvoorziene gebeurtenissen redelijkerwijs ertoe leidden dat een verkrijger niet de woning als hoofdverblijf kon gaan gebruiken, wordt de startersvrijstelling en het verlaagde tarief niet teruggenomen. Onvoorziene gebeurtenissen na de verkrijging zijn onder andere het duurzaam verloren gaan van de woning, het overlijden van een verkrijger, echtscheiding van de verkrijgers en het aanvaarden van of het verlies van een baan of emigratie.

AOW- en pensioenleeftijd

De AOW-leeftijd is voor 2021 66 jaar en 4 maanden. Na 2021 zal de AOW-leeftijd geleidelijk oplopen naar 67 jaar in 2024. In 2025 is de AOW-leeftijd 67 jaar. Vanaf 2025 stijgt de AOW-leeftijd mee met de levensverwachting.

De pensioenrichtleeftijd voor aanvullende pensioenen is in 2021 68 jaar (68 jaar).


1 De vrijstelling is na pensioenimputatie niet minder dan € 173.580 (€ 170.846).

2 De vrijstelling is voor 2021 eenmalig met € 1.000 verhoogd.

3 Als voor 1 januari 2010 de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling al benut is, dan kan eenmalig gebruik gemaakt worden van een extra vrijstelling van € 29.115 als de schenking gebruikt wordt voor de aankoop of onderhoud van een eigen woning, dan wel voor de aflossing van de eigenwoningschuld.

4 Als voor 1 januari 2010 de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling al benut is, dan kan eenmalig gebruik gemaakt worden van een extra vrijstelling van € 29.115 als de schenking gebruikt wordt voor de aankoop of onderhoud van een eigen woning, dan wel voor de aflossing van de eigenwoningschuld.

5 Als voor 1 januari 2010 de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling al benut is, dan kan eenmalig gebruik gemaakt worden van een extra vrijstelling van € 29.115 als de schenking gebruikt wordt voor de aankoop of onderhoud van een eigen woning, dan wel voor de aflossing van de eigenwoningschuld.

6 De vrijstelling is voor 2021 eenmalig met € 1.000 verhoogd.

Informatie

  • VTVaktechniek
  • Fiscaal: Wet IB, Fiscaal: Successiewet, Fiscaal: Overig
  • EQF 7
  • Dinsdag 5 januari 2021
Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships