Woning kwalificeert niet meer als eigen woning

De Hoge Raad heeft op 23 oktober 2020 uitspraak gedaan of na uitzending van belanghebbende naar het buitenland een woning nog als eigen woning kwalificeert, waardoor de (negatieve) belastbare inkomsten uit eigen woning aftrekbaar zijn.

Belanghebbende en zijn echtgenote bezitten een eigen woning. Belanghebbende is in 2011 uitgezonden naar het buitenland. Zijn echtgenote staat tot januari 2014 ingeschreven op het adres van de woning. Een sinds oktober 2010 uitwonende studerende dochter van belanghebbende woont van maart 2014 tot mei 2014 in de woning.

In geschil is of de woning ook na maart 2014 een eigen woning is, waardoor belanghebbende de (negatieve) belastbare inkomsten uit eigen woning kan aftrekken.

Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat de woning geen eigen woning meer is, omdat de dochter, vanaf het moment dat zij uitwonend is, niet meer tot het huishouden van belanghebbende behoort. Een meerdere jaren uitwonend studerend kind moet in beginsel als zelfstandig worden beschouwd. Dat wordt in beginsel niet anders wanneer het kind tijdelijk weer in het ouderlijk huis verblijft.

Volgens de Hoge Raad geeft dit oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip ‘derden’ in artikel 3.111 lid 6 Wet IB 2001. Niet van belang is dat de dochter geen inkomen had en door belanghebbende werd onderhouden, en evenmin dat de dochter regelmatig bij belanghebbende – al dan niet in de woning – verbleef. De woning kwalificeert niet meer als een eigen woning.

Informatie

  • Fiscaal: Wet IB
  • Maandag 26 oktober 2020