Aanpassing alimentatie na opraken ontslagvergoeding door investeringen

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat alimentatie naar beneden aangepast mag worden na opraken ontslagvergoeding

Een alimentatieplichtige verzoekt om verlaging van de alimentatie. De alimentatieplichtige stelt zijn baan verloren te hebben en dat de ontslagvergoeding die daarbij is verkregen inmiddels is opgegaan eigen levensonderhoud, maar ook aan de alimentatie. Van het nieuwe salaris kan de alimentatie niet betaald worden. De alimentatiegerechtigde stelt dat de alimentatieplichtige diens verdiencapaciteit niet benut, verwijtbaar werkloos is en dat de ontslagvergoeding nog niet op kan zijn dan wel niet op de juiste wijze besteed.

De rechtbank vindt het verlies van de baan een rechtens relevante wijziging die herbeoordeling van behoefte en draagkracht rechtvaardigt. Het enkele gegeven dat nog wel de alimentatie betaald wordt betekent niet dat de wijziging van omstandigheden niet van betekenis is. Bij de echtscheiding is de behoefte van de alimentatiegerechtigde niet expliciet bepaald, maar wel in minnelijk overleg bepaald met een mediator. De rechtbank neemt daarom aan dat de alimentatie wel in overeenstemming met de regels gangbaar is vastgesteld. De man voert aan dat de alimentatiegerechtigde ook haar verdiencapaciteit niet benut en te veel en te hoge eisen stelt aan mogelijke nieuwe banen. De rechtbank vindt daarvan dat de alimentatiegerechtigde zich weer opnieuw tijdens een economische crisis een arbeidsmarktpositie moest verwerven.

Naar ervaringsregels inmiddels gezien diens leeftijd niet meer verwacht kan worden dat ze geheel in haar behoefte voorziet.  De rechtbank vindt daartegenover dat de algemene malaise in de financiële sector de directe aanleiding is geweest voor het ontslag. Ook is aannemelijk dat het niet meer gelukt is om een qua salaris vergelijkbare functie te vinden. De rechtbank vindt daarbij van belang dat helder is dat ook de alimentatieplichtige nadeel ondervindt en zal vinden van de inkomensachteruitgang. De besteding van de ontslagvergoeding als investering in een onderneming is aannemelijk en het is bepaald niet ongebruikelijk dat bij een start-up ook andere aandeelhouders eisen dat de bestuurder zelf in het bedrijf investeert. Dat de investering terugkomt als privélening van de man aan diens BV beïnvloedt het feitelijk beschikbare vermogen van de alimentatieplichtige niet. Uiteindelijk concludeert de rechtbank dat er geen draagkracht meer over blijft voor partneralimentatie.