Afkoop lijfrente bij langdurige arbeidsongeschiktheid; revisierente terecht wél berekend

Dit bericht betreft een samenvatting van een uitspraak van een rechtbank.

Op 11 oktober 2018 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan (nr. AWB 18/507) in een zaak waarbij in geschil was het antwoord op de vraag of bij afkoop van een lijfrente terecht revisierente is verschuldigd. In de zaak speelde het volgende.

 

Belanghebbende exploiteerde samen met zijn partner een bedrijf in de vorm van een v.o.f. Om de opgelopen betalingsachterstanden van de v.o.f. in te lopen, heeft belanghebbende in 2015 zijn lijfrente-aanspraak afgekocht. De bruto afkoopsom van die lijfrente bedroeg € 84.572. In de opgelegde aanslag IB/PVV 2015 is over de afkoopsom € 16.914 aan revisierente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft in verband met dat laatste bezwaar ingediend tegen de aanslag. Vanwege termijnoverschrijding is het bezwaar behandeld als verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft het verzoek afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor “vrijstelling van” revisierente in de zin van artikel 3.133, lid 9 Wet IB 2001.

 

De rechtbank overweegt in deze zaak onder meer het volgende. Op grond van artikel 3.133, lid 9 Wet IB 2001 is geen revisierente verschuldigd als de gerechtigde arbeidsongeschikt is en wordt voldaan aan de in dat artikellid gestelde cumulatieve voorwaarden. Het geschil heeft zich beperkt tot de derde voorwaarde, opgenomen in onderdeel c van genoemd artikellid. Op grond daarvan geldt een maximum bedrag aan afkoopsom. De rechtbank overweegt dat volgens deze voorwaarde de afkoopsom van eiser in 2015 maximaal € 71.391 mocht bedragen. Het gaat in belanghebbendes situatie immers om de gemiddelde premiegrondslag voor 2014 en 2015, zoals bedoeld in artikel 3.127, lid 3 Wet IB 2001. Die premiegrondslag gaat steeds uit van de inkomensgegevens van het voorafgaande kalenderjaar, dus in casu de winst en het loon dat eiser heeft genoten in de jaren 2013 en 2014. Zodra de afkoopsom ook maar een euro hoger is dan het aldus berekende maximum, geldt de “vrijstelling” van genoemde bepaling niet meer. Nu de afkoopsom € 84.572 bedraagt, voldoet eiser niet aan deze voorwaarde en is de vrijstelling dus in het geheel niet van toepassing. De rechtbank merkt hierbij nog op dat voor de toets aan het maximum alleen het totaalbedrag van belang is dat eiser in heel 2015 uit hoofde van afkoopsommen van lijfrentepolissen heeft genoten. Het tijdstip van de doorbetaling van de (netto) afkoopsom aan de Belastingdienst is daarvoor niet relevant. De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan artikel 3.133, lid 9 Wet IB 2001, waardoor op grond van de wettelijke regeling van de AWR revisierente verschuldigd is. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

 

De uitspraak van de rechtbank is gepubliceerd op 11 juni 2019.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel