Afkoopsom pensioen eigen beheer val buiten de huwelijksgoederen gemeenschap

image_pdf





Een afkoopsom van pensioen behoort tot het privé vermogen van de in gemeenschap van goederen gehuwde werknemer, zo oordeelde de Hoge Raad op 13 juli 2018. Dit kan zich uitstrekken tot de DGA’s die hun pensioen in eigen beheer hebben afgekocht.

 

Eerder dit jaar schreef ik een in artikel voor het vakblad van de Register Belastingadviseurs dat de afkoopsom voor het pensioen in eigen beheer wel eens buiten de huwelijksgoederen gemeenschap zou kunnen vallen. Het gevolg hiervan is dat de gehele afkoopsom aan de werknemer toekomt en niet – zoals veel wordt gedacht – aan beide echtgenoten. Bij het einde van het huwelijk door echtscheiding of overlijden komt dit aan het licht en zal duidelijk worden dat de partner van de werknemer ernstig is benadeeld door de afkoop van het pensioen.

 

Op 13 juli 2018 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin hij oordeelt dat de afkoopsom van een pensioen tot het privé vermogen behoort van de in gemeenschap van goederen gehuwde werknemer.

 

De Hoge Raad oordeelde:

3.4.2 Tussen partijen staat vast dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 342; hierna: Wvps) op hun (tweede) echtscheiding van toepassing is. De pensioenrechten van de man waarop deze wet van toepassing is, vallen niet in de gemeenschap van goederen (art. 1:94 lid 2, aanhef en onder b, (oud) BW). Krachtens de Wvps worden uitsluitend pensioenrechten die tijdens het huwelijk zijn opgebouwd, verevend. De pensioenrechten die de man in de periode tussen beide huwelijken heeft opgebouwd, worden dus niet op de voet van deze wet verevend (art. 2 lid 1 Wvps).

3.4.3 De achtergrond van de beperking van pensioenverevening tot de huwelijkse periode is erin gelegen dat het delen van de pensioenrechten samenhangt met de – met de huwelijkse taakverdeling samenhangende – gezamenlijke inspanning van de huwelijkspartners die erop is gericht dat zij beiden kunnen genieten van een redelijke oudedagsvoorziening. Buiten deze door de wetgever veronderstelde, met de huwelijkse taakverdeling samenhangende, gezamenlijke inspanning is er geen grond voor verevening. (Zie de parlementaire geschiedenis aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.15)

3.4.4 Het strookt met de (ratio van de) Wvps om afgekochte pensioenrechten bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap op een zo veel mogelijk gelijke wijze in aanmerking te nemen als niet afgekochte pensioenrechten. De herkomst en bestemming van de onderhavige afkoopsom brengen daarom mee dat deze som tot het nominale bedrag ervan moet worden aangemerkt als privévermogen van de man. Hij heeft dan ook voor dat bedrag een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap. Van belang is dat de afkoopsom in dit geval betrekking heeft op pensioenrechten die buiten de huwelijksperiode zijn opgebouwd. De vraag blijft hoe de afkoop uitwerkt voor het pensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Mogelijk dat de Hoge Raad in rechtsoverweging

3.4.4. een voorschot neemt op een afwijking van de letterlijke interpretatie van de artikelen 1:94 en 1:95 BW door te wijzen op de ratio van de Wvps. Dit arrest kan betekenen dat de partner met lege handen komt te staan nadat hij/zij medewerking heeft verleend aan de afkoop van het pensioen in eigen beheer van de DGA. Als immers de afkoopsom geheel in het privé vermogen valt, zal deze waarde bij een echtscheiding niet worden verdeeld tussen de echtgenoten. Voor de partner is het te hopen dat bij de afkoop van het pensioen in eigen beheer een passende compensatie is geregeld.


Bas Kortenbach
Over Bas

In de afgelopen 10 jaren heb ik mij als fiscalist ontwikkeld op onder meer het gebied van pensioen voor DGA en ondernemers. In 2007 heb ik mij als zelfstandig belastingadviseur gevestigd in de regio Den Haag. Mijn activiteiten op het gebied van pensioenen heb ik in 2013 afgesplitst en [...]

Bekijk profiel