Afschrijving gecorrigeerd omdat bouwwerken aanhorigheid zijn

Hof Den Bosch heeft op 2 mei 2019 (publicatie 16 oktober 2019) uitspraak gedaan in hoeverre bepaalde bouwwerken binnen een agrarisch bedrijf een aanhorigheid zijn waardoor een correctie van de afschrijving terecht zou zijn.

Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een vof. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het houden van melkvee en opfok van jongvee. Tot het ondernemingsvermogen behoren onder meer een perceel grond, woning, schuur, loods, jongveestal, ligboxenstal, een (houten) mestsilo, strooiselhok, twee stierenstallen, erfverharding en plaat/sleufsilo’s.

 

Volgens de inspecteur zijn de mestsilo, het strooiselhok, de erfverharding en de plaat/sleufsilo’s aanhorigheden in de zin van artikel 3.30a lid 2 Wet IB 2001. Hij heeft de afschrijvingskosten van deze bouwwerken gecorrigeerd omdat de bodemwaarde (artikel 3.30a lid 3 Wet IB 2001) is bereikt. Belanghebbende stelt zich echter op het standpunt dat een bouwwerk alleen dan een aanhorigheid is indien het ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar’ is aan het gebouw.

 

Hof Den Bosch overweegt dat voor de term aanhorigheden beslissend is of de bouwwerken ‘behoren bij, in gebruik zijn bij en dienstbaar zijn aan’ het gebouw. Daarbij kunnen volgens het hof de bouwwerken niet los worden gezien van het bedrijfsproces van belanghebbende.

De onderhavige bouwwerken kwalificeren volgens het hof als aanhorigheden, omdat het bouwwerken zijn die normaal gesproken behoren bij een agrarisch bedrijf als dat van belanghebbende. Ook de erfverharding behoort bij de gebouwen. Het hof oordeelt dat de correctie van de afschrijving terecht is.