Aftrekvoorwaarden bij voortzetting premiebetalende lijfrente/AOV in immigratiejaar versoepeld

Dit bericht beschrijft een van de goedkeuringen uit het op 31 mei 2019 gepubliceerde lijfrentebesluit.

Op 31 mei 2019 is het verzamelbesluit lijfrenten in geactualiseerde vorm gepubliceerd in de Staatscourant. Het nieuwe lijfrentebesluit van 16 mei 2019, nr. 2019-115021, bevat een aantal nieuwe beleidsstandpunten en zit boordevol goedkeuringen. Een van de versoepelde goedkeuringen ziet op het volgende.

 

Een immigrant kan, als hij voor het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht een lijfrenteovereenkomst heeft gesloten met een buiten Nederland gevestigd levensverzekeringsbedrijf, de overeenkomst in Nederland voortzetten door middel van premiebetalingen. Hetzelfde geldt voor een buiten Nederland gesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV).

 

Om in aanmerking te komen voor aftrek van de betaalde premies moet het buitenlandse verzekeringsbedrijf voldoen aan voorwaarden die door de Minister van Financiën worden gesteld. In het besluit zijn de volgende cumulatieve voorwaarden gesteld:

  1. de professionele aanbieder/uitvoerder moet zijn onderworpen aan overheidstoezicht dat vergelijkbaar is met het toezicht op grond van de Wft;
  2. het moet gaan om een voortzetting van een lijfrente- of AOV, waarvan de strekking overeenkomt met een inkomensvoorziening als bedoeld in afdeling 3.7 Wet IB 2001. Hiervan is alleen sprake als het tijdstip van het aangaan van de buitenlandse overeenkomst is gelegen vóór het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht. Dat brengt onder meer mee dat vóór het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht ten minste een periodieke, contractuele premiebetaling moet hebben plaatsgevonden.

De onder punt 2 opgenomen voorwaarde is ten opzichte van het eerdere beleid belangrijk versoepeld. Eerst moest een voortgezette lijfrente voldoen aan de voorwaarden van artikel 1.7, lid 1 Wet IB 2001. Nu is dat niet meer nodig.

 

De heffing over het in het buitenland opgebouwde deel gebeurt op basis van artikel 3.100, lid 1, onderdeel c Wet IB 2001 en met de toepassing van afdeling 3.7 van die wet.

 

De versoepelde goedkeuring is opgenomen in paragraaf 4.9 van het besluit.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel