Afwijking van huwelijkse voorwaarden

Tijdens het echtscheidingsproces komt het geregeld voor dat één van de partijen de stelling inneemt dat op grond van de redelijkheid en billijkheid afgeweken moet worden van de tekst van de huwelijkse voorwaarden. Dat kan ook onder omstandigheden, maar wel alleen in uitzonderlijke gevallen. In de zaak ging het om een partner die eigenlijk met tegenzin opnieuw ging trouwen, omdat daarmee de financiële geborgenheid van de alimentatie die ze kreeg van de vorige partner verloren zou gaan.

 

De nieuwe partner wilde echter graag trouwen en een gezin stichten. Als compensatie daarvoor is afgesproken om aan die financiële onzekerheid een einde te maken door in de huwelijkse voorwaarden te bepalen dat de financieel onzekere partner bij echtscheiding een bedrag zou meekrijgen vergelijkbaar met de opgegeven alimentatie van de vorige partner. Bij de tweede echtscheiding vindt de nieuwe partner deze bepaling onredelijk uitwerken, omdat bijvoorbeeld diens woning verkocht moet worden die juist privévermogen zou blijven. Het gerechtshof wijst er echter op dat niet blijkt dat die partner onder dwang de huwelijkse voorwaarden heeft getekend en er verschillende gesprekken bij de notaris zijn gevoerd. Dat het nakomen van de afgesproken vergoeding bij het einde van het huwelijk financieel bezwaarlijk is, is in beginsel niet voldoende voor rechterlijk ingrijpen. De belofte om een bedrag te bepalen bij het einde van het huwelijk blijft dus gewoon in stand. Duidelijk zal zijn dat die partner achteraf veel spijt zal hebben gehad van het ‘omkopen’ van zijn partner om een huwelijk aan te gaan.