Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Afwikkeling van lijfrente-aanspraken in IB-sfeer van DGA van geliquideerde vennootschap

Dit bericht betreft een samenvatting van een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Op 16 juli 2019 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak (kenmerk BRE 18/183) waarbij in geschil was of de inspecteur de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. Het geschil beperkte zich onder meer tot de afwikkeling van de lijfrenteaanspraken (box 1). Tevens was in geschil de beschikking revisierente. In de zaak speelde onder meer het volgende.

 

De rechtbank is in zijn uitspraak als eerste ingegaan op het geschilpunt over de lijfrente. Op de balans van de vennootschap is deze aangeduid als ‘lijfrentevoorziening’. Omdat in deze zaak de aanslag wordt beoordeeld die aan belanghebbende is opgelegd, moet dit worden bezien vanuit zijn perspectief en spreekt de wet van een ‘aanspraak’, waarmee wordt bedoeld de (door de inspecteur in de heffing betrokken) lijfrente-regeling. De relevante wetsbepalingen zijn in dit kader de artikelen 3.133 en 3.137 Wet IB 2001 waarbij geldt dat de waarde van de lijfrente-aanspraak wordt gesteld op de waarde in het economisch verkeer van die aanspraak op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het moment van (in dit geval) het prijsgeven.

 

Relevant is in vorenstaand verband nog dat belanghebbende in casu niet heeft betwist dat hij in voorgaande jaren ten aanzien van de lijfrenteaanspraak (de) premies in aftrek heeft gebracht op grond van artikel 3.124 tot en met 3.126 van de Wet IB 2001.

 

De rechtbank heeft het volgende overwogen. De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat belanghebbende zijn lijfrente-aanspraak heeft prijsgegeven. Hij heeft hiertoe gewezen op de vermogensopstellingen in de aangiften VPB over 2009 en 2014. Uit de aangifte over 2009 blijkt dat belanghebbende een aanspraak had op lijfrente-uitkeringen. De vennootschap had hiervoor op de passiva-zijde van de balans een bedrag gereserveerd van € 43.943. In de vermogensopstelling in de aangifte over 2014 is de lijfrentevoorziening niet langer zichtbaar. Hieruit leidt de inspecteur af dat belanghebbende zijn lijfrente-aanspraak in 2014 heeft prijsgegeven. De inspecteur is voor de hoogte van de afkoopsom aangesloten bij het door de vennootschap in 2009 gereserveerde bedrag. De rechtbank volgt de inspecteur in zijn standpunt wat betreft het bestaan van de lijfrente-afspraak en de waarde ervan, nu dat standpunt voldoende is onderbouwd en dat standpunt onvoldoende gemotiveerd is weersproken. In casu moet ervan worden uitgegaan dat de lijfrente-aanspraak is prijsgegeven in 2014.

 

Over de beschikking revisierente oordeelde de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 30i AWR wordt revisierente verschuldigd indien door de toepassing van artikel 3.133 Wet IB 2001 een lijfrente-aanspraak tot het loon wordt gerekend. Aangezien de inspecteur terecht de lijfrente-aanspraken tot het loon heeft gerekend, leidt de toepassing van artikel 30i AWR ertoe dat de inspecteur de beschikking revisierente terecht heeft opgelegd. De berekening van de revisierente is niet bestreden.

 

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor zover het ziet op de beschikking revisierente. De uitspraak is op 22 november 2019 gepubliceerd.

Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships