Artikel FD Selections.nl: Doorsneepremie

image_pdf

Er is weer een stevige discussie over de doorsneepremiesystematiek, mede naar aanleiding van het beoogde PensioenAkkoord uiteraard. Ook hier is het goed om er nog eens met een vernieuwde blik naar te kijken.

Opbouwfase
In de opbouwfase van ons pensioensysteem, vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw, was het logisch om te denken in uniformiteit en dus doorsneepremie. Iedereen betaalde hetzelfde, jong/oud, rijk/arm. Logischer was het dan wel geweest om de doorsneepremie redelijk gelijk te houden in de loop der jaren, b.v. altijd tussen de 13 en 16%. Echter, en daar begint de kritiek van deelnemers, deze fluctueert nogal. Ouderen van nu stellen – terecht – dat zij in de slechte jaren ’70-’80 ook torenhoge premies moesten betalen. Dat nu de werkgevers niet meer hoeven te betalen dan grosso modo 16% impliceert dan automatisch, in combinatie met de keuze binnen het PensioenAkkoord om de uitkeringen mee te laten bewegen met de rendementen en de levensverwachting, dat de kans op ‘pot verteren’ groter wordt.

Uitkeringsfase
We zitten c.q. gaan inmiddels echter naar een grootschalige uitkeringsfase. Dus zeggen de jongeren – ook terecht – wij gaan niet langer subsidiëren voor de huidige oudere werknemers. Zij hebben immers wel geprofiteerd van – tijdelijk – lagere premies en premievakanties voor werkgevers en dus hogere lonen. En omdat we én te maken hebben met ontgroening én mede daardoor een kleinere kans dat de komende generaties willen blijven betalen op basis van doorsneepremies telt iedereen z’n knopen. Gepensioneerden treft deze discussie overigens niet of nauwelijks.

Verplichtstelling
Op basis van de bekende jurisprudentie omtrent de verplichtstelling moet verder geconstateerd worden dat de verplichtstelling het onder 4 voorwaarden ‘gehaald’ heeft (dát de verplichtstelling sec in strijd is met vrije marktwerking is namelijk een feit). Vrije toegang: inmiddels is dit via de Wet Medische Keuringen opgelost. Vervolgens solidariteit en dus doorsneepremie. Deze laatste twee zijn natuurlijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dan zekerheid van uitkeringen: de acceptatie van de verplichtstelling – in strijd met marktwerking – is mede gebaseerd op het feit dat het goed is vanuit sociale zekerheid.
De laatste is dat pensioenfondsen geen winststreven hebben (globaal klopt dat behoudens allerlei uitvoeringsinstanties, eigen verzekeraars etc. natuurlijk).

Zowel de eerste pijler onder de verplichtstelling, middels de WMK, als de 2e pijler van de ‘zekerheid’ zijn dus onderuit gehaald in het PensioenAkkoord. Juist als gevolg van de onzekerheid van de uitkeringen komt er druk op solidariteit en dus doorsneepremie.

Communicatie
Overigens wordt ook hier weer qua communicatie de plank dus volledig misgeslagen. Pensioen is niet altijd al onzeker geweest (los van het gemak waarmee dit nu opeens wordt beweerd). De kans dat het toegezegde pensioen altijd,volledig, met indexatie, uitgekeerd kan worden was nooit 100%. Maar dat is wat anders.

Conclusie
Als ik dan ook nog de sociaal maatschappelijke ontwikkelingen meeneem (individualiteit – hetgeen overigens iets anders is dan egoïsme – en flexibiliteit) en de ontwikkelingen binnen (flexibele) arbeidsrelaties, met name ook het ‘uittreden’ van werknemers om ZZP-er te worden, juist als ze technisch profiteren van het omslagpunt binnen de doorsneepremiesystematiek, dan is de houdbaarheid wel erg marginaal. Dat is niet een kwestie van onterecht of erg of anders, maar gewoon maatschappelijke realiteit. De wereld verandert, dus ook pensioen zal mee moeten.

Theo Gommer
Over Theo

Mr. J. Theo Gommer MPLA CCFP (1966) is managing partner bij de &Gommer Pensions Group, bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten en bij de Visitatie Commissie Pensioenfondsen. Hij was tot 2018 voorzitter van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen. Verder is hij actief als [...]

Bekijk profiel