Artikel Overgeld.nl: Belijke behandelingen deelname pensioen

image_pdf

Het zal u verbazen (of misschien ook niet) hoeveel (ex-)werknemers er zijn, die door hun werkgever onterecht zijn uitgesloten (geweest) van deelname aan de pensioenregeling. Heel vaak gaat het om (parttime) werkende vrouwen. Veel van die vrouwen leven in de veronderstelling dat er voor hen sinds 1994 geen mogelijkheden meer zijn om tot herstel te komen. Die zijn er echter wel.
Nog steeds worden door rechters vonnissen gewezen waarin ex-werkneemsters een aantal jaren na het einde van hun dienstverband op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG alsnog de deelname vorderden in de destijds bij werkgeefster geldende pensioenregeling.

Een voorbeeld. Een werkneemster, geboren in 1951, was van 1972 tot en met 1999 in dienst bij werkgeefster als secretaresse. Binnen de organisatie van werkgeefster heeft steeds een pensioenregeling gegolden. Tot 1 januari 1989 waren echter gehuwde vrouwen uitgezonderd van deelname aan die regeling op grond van het zogenaamde kostwinnersbeginsel. Bovendien moest een werknemer minimaal 25 jaar zijn om te kunnen deelnemen. Op 1 januari 1989 is het kostwinnerscriterium in de regeling komen te vervallen. Gehuwde vrouwen konden vanaf dat moment ook deelnemen, maar niet met terugwerkende kracht. De werkneemster werd met ingang 1 januari 1989 dan ook als deelneemster in de pensioenregeling opgenomen.

Tijdens een beoordelingsgesprek begin 1998 heeft de werkneemster aangegeven op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG met ingang van een eerdere datum als deelnemer in de pensioenregeling te willen worden opgenomen.

In 1999 is de werkneemster uit dienst getreden. De door werkgeefster voorgelegde beëindigingsovereenkomst tegen finale kwijting heeft zij geweigerd te ondertekenen.

Eind 2003 geeft de werkneemster aan, dat zij alsnog voor de door haar gewenste pensioenreparatie in aanmerking wil komen. De werkgeefster is van mening en stelt zich op het standpunt, dat de werkneemster geen recht heeft op een eerdere deelname, omdat haar vordering zou zijn verjaard. Daartoe geeft de werkgeefster drie momenten uit het verleden. Ten eerste op de 25e verjaardag van de werkneemster in 1976, vervolgens in elk geval in 1989, toen deelname werd opengesteld en tenslotte in 1994, toen de collega’s waar de werkneemster nauw mee samenwerkte wel aanspraak maakten op pensioenreparatie. Het beoordelingsgesprek in 1998 kan naar de mening van werkgeefster niet gezien worden als een rechtsgeldige stuiting van de verjaring; daarvan is pas voor het eerst in 2004 sprake. Voorts is de werkgeefster van mening dat de vordering in elk geval is verjaard op grond van de verjaringstermijn van 20 jaar na de gebeurtenis waarop de schade is ontstaan.

De Kantonrechter oordeelt in dit geval, dat als er geen sprake is van verjaring, dat de werkneemster dan recht heeft op deelname in de pensioenregeling vanaf 8 april 1976, nu het HvJ in het arrest Defrenne II van 8 april 1976 heeft uitgemaakt dat artikel 119 EG-Verdrag rechtstreekse en horizontale werking heeft. De schade voor de werkneemster is ontstaan op 8 april 1976, zij was toen immers (net) 25 jaar. Haar werkgeefster bleef op dat moment een pensioenregeling hanteren met daarin met het arrest van het HvJ strijdige bepalingen. Op 8 april 1976 is derhalve de 20-jarige termijn gaan lopen. Deze termijn is op 8 april 1996 voltooid en de werkneemster heeft deze in de tussentijd niet gestuit.

Echter op grond van het arrest van het HvJ inzake Dietz van 24 oktober 1996 kunnen de nationale regels betreffende de beroepstermijnen aan een werkneemster worden tegengeworpen, welke in dit geval haar recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling laat gelden, mits die regels voor dergelijke beroepen niet ongunstiger zijn dan voor soortgelijke beroepen naar nationaal recht en zij de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk maken. Daarvan was in de onderhavige casus geen sprake oordeelde de Kantonrechter, zeker nu in 1994 andere werkneemsters hun rechten wel geldend hadden gemaakt. Ook was niet gebleken van een uitzonderlijke situatie in casu, waardoor toepassing van de 20-jaarstermijn onaanvaardbaar zou zijn. De vordering van de werkneemster werd dan ook afgewezen.

Het beroep van de werkneemster op het Preston-arrest en het advies van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen om naar aanleiding van dat arrest geen beroep meer te doen op verjaringstermijnen mocht de werkneemster niet baten.

Met name op grond van de overweging dat de werkneemster al haar vrouwelijke collega’s in 1994 voor had zien gaan in deze actie en zelf niet tot actie kwam is haar duur komen te staan.

Het moment 1994 is niet zaligmakend. Het recht op deelname verjaart in principe niet. Tenzij er zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen zoals ik het bovenstaande voorbeeld. In tegenstelling tot het recht op gelijke behandeling tussen mannen en vrouwen bij de opbouw van pensioen. Dan wordt immers al wel deelgenomen in de pensioenregeling, maar is er geen gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de pensioenopbouw.

Maar er is nog een moment waarop men als niet deelnemer of deelnemer met een te lage opbouw in vergelijking tot collega’s kan claimen. Dat is op de pensioendatum. Dat is een nieuw moment in het leven van een deelnemer. Immers vanaf dat moment verandert de vordering: de vordering tot pensioenopbouw of deelname aan de pensioenregeling wijzigt in die van een vordering tot uitkering van opeisbaar pensioentermijnen. Dat is juridisch een andere vorderingen. Een nieuwe ronde dus met nieuwe kansen !

Hebt u vragen over alle recente pensioenontwikkelingen en wat dat voor u betekent? Stelt u ze dan gerust via www.pensioenSOS.nl.

Theo Gommer
Over Theo

Mr. J. Theo Gommer MPLA CCFP (1966) is managing partner bij de &Gommer Pensions Group, bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten en bij de Visitatie Commissie Pensioenfondsen. Hij was tot 2018 voorzitter van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen. Verder is hij actief als [...]

Bekijk profiel