Beantwoording vragen over de ‘greep in de ABP-kas’

Op 7 oktober 2019 heeft Tweede Kamerlid Wilders een aantal vragen voorgelegd over de greep in de ABP-kas. Minister Ollongren van Binnenlandse Zaken heeft de vragen op 29 oktober beantwoord.

Volgens de minister is er nooit sprake geweest van een greep in de kas van pensioenfonds ABP. Dat stelt de minister in haar antwoord. “Vóór de privatisering van het ABP in 1996 werd de hoogte van de pensioenpremie voor het pensioenfonds ABP wettelijk vastgelegd. In de periode 1982-1994 is met instemming van het parlement de premie verlaagd van 21% naar (op enig moment) 8,3%. Deze premieverlaging vond plaats tegen de achtergrond van de goede financiële positie van het fonds en was destijds niet uniek: een vergelijkbare premieverlaging heeft plaatsgevonden bij diverse pensioenfondsen in de marktsector.”

 

Sinds de privatisering is het ABP en zelfstandig pensioenfonds dat los van staat van de overheid. Sinds de invoering van de Pensioenwet (2007) gelden ook voor het ABP de regels van het Financieel Toetsingskader en het toezicht van De Nederlandsche Bank.

 

De minister is dan ook niet van mening dat sprake is van een politieke misstand en van compensatie: "Anders dan u stelt is er naar mijn overtuiging geen sprake van een politieke misstand. Er is geen sprake geweest van een ‘greep uit de kas’. Er is destijds volgens de op dat moment geldende regels een premieverlaging doorgevoerd. Ik zie dan ook geen aanleiding voor compensatie.”