Bedrog bij DNA-onderzoek voor vaststelling ouderschap

Rechtbank Rotterdam oordeelt dat de beschikking vaststelling ouderschap herroepen kan worden vanwege bedrog bij het DNA-onderzoek ondanks dat hierdoor de normale termijn voor indiening hiervan is verstreken.

In een beschikking voor het vaststellen van het vaderschap vermeld dat er geen sprake is van verwantschap tussen de veronderstelde vader en het kind. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.  Enige tijd later verzoekt de moeder herziening van de beschikking omdat niet het dna-materiaal van de veronderstelde vader, maar van diens neef zou zijn ingeleverd.

De rechtbank geeft aan dat er geen wettelijke mogelijkheid is tot wijziging van de beschikking en vult de grondslag van het verzoek van de vrouw daarom aan door deze op te vatten als een verzoek tot herroeping van de beschikking. De moeder heeft verklaren overlegd van de op elkaar lijkende veronderstelde vader en de neef. Daarbij heeft het laboratorium zelf ook aangegeven dat de persoon die het materiaal afgaf niet goed leek op de foto op het rijbewijs. Ook zou de veronderstelde vader tegen haar en het kind gezegd hebben de vader te zijn, maar geen kinderalimentatie willen betalen.

De rechtbank wijst erop dat de vereiste driemaandstermijn ingaand na de beschikking van openbare orde is, zodat de rechtbank tot ambtshalve onderzoek moet overgaan. De rechtbank vindt dat het respect voor het familie- en gezinsleven van de minderjarige voorgaat boven strikte hantering van de driemaandstermijn. Dit zou anders een strijd opleveren met artikel 8 van het EVRM. Er wordt daarom een nieuwe termijn gegeven om opnieuw stellingen en verweren in te dienen cq te wijzigen waarmee een nieuwe beschikking genomen kan worden. Op het bezwaar van de veronderstelde vader dat dit weer allemaal veel geld en tijd kost wijst de rechtbank erop dat de DNA test ook buiten rechte zou kunnen plaats vinden.