Premium | FinSourceOne vaktechniek artikelen

Belangrijkste onderwerpen Prinsjesdag 2016

Op 20 september 2016 (Prinsjesdag) heeft de regering haar plannen voor 2017 bekendgemaakt.

In dit artikel vatten we de voor medewerkers in de financiële dienstverlening de meest relevante onderwerpen van de overheidsplannen samen.

De Tweede en Eerste Kamer zullen nog stevig discussiëren over de inhoud. Op basis van de uitkomst van die debatten, kunnen er nog (grote) wijzigingen in de plannen worden doorgevoerd, zeker omdat het kabinet de steun van de oppositie nodig heeft om plannen door te kunnen voeren. Wat in deze samenvatting wordt genoemd, is dus nog geen absolute zekerheid.

De komende dagen zullen er (kortere) berichten voor de andere Wft-modules worden gepubliceerd.

Troonrede
Na een tocht door Den Haag in de glazen koets (in plaats van de gouden koets), sprak de Koning de door het kabinet opgestelde Troonrede uit voor de leden van de Staten Generaal. Koning Willem-Alexander concludeerde dat de financieel-economische crisis achter ons ligt. Maar er is reden voor alertheid: er zijn mondiale spanningen en economische onzekerheid. Het begrotingstekort wordt teruggebracht naar 0,5% in 2017 (2016: naar verwachting 1,4%) en de totale staatsschuld komt uit op ongeveer 62% van het nationaal inkomen (2016: 63%). Overigens zijn dit cijfers die het kabinet zelf noemt. Het CBS heeft het over een begrotingstekort van 0,7% in 2017. 

De economie van Nederland groeit volgend jaar naar verwachting met 1,7%. Dat is ongeveer gelijk aan dit jaar. Er was vorig jaar een nog sterkere stijging verwacht voor 2017, maar de Brexit en tegenvallende gasbaten gooien daarbij roet in het eten. Een belangrijk speerpunt voor de regering blijft het creëren van banen. De werkloosheid is de laatste jaren al gedaald tot 6,2%, maar de daling zet niet door in 2017. In 2014 was er nog een piek in de werkloosheid van 7,9%, maar in 2008 was het percentage nog 3,6%. 

Het kabinet kiest ervoor enkele bezuinigingen in eerdere jaren, (deels) terug te draaien, zoals in de ouderen- en gehandicaptenzorg, defensie en het onderwijs. Al met al leidt dit, volgens het kabinet, tot koopkrachtstijging voor iedereen: werkenden, uitkeringsgerechtigden en ouderen. 

Koopkrachtontwikkeling
In de Miljoenennota en Rijksbegroting 2017 wordt ingezet op onder meer € 1,1 miljard om de koopkracht te bevorderen. Verhoging van de koopkracht, vergroot het vertrouwen van de burger in zijn financiële situatie, waardoor hij bereid is meer uit te geven. Dat moet de economie aanjagen. De koopkrachtontwikkeling in 2017 ziet er als volgt uit voor verschillende groepen: *De inkomens zijn soms geschat, op basis van de termen ‘modaal’ en ‘AOW’, terwijl de exacte bedragen over 2017 nog niet bekend zijn. 

Groepen, categorieën binnen die groep  

Met een inkomen van*

Koop-kracht-ontwikkeling 2017

Werkenden

 

 

Alleenverdiener met kinderen

€ 37.000

0,2%

 

€ 74.000

0,1%

Tweeverdieners met kinderen

€ 37.000 + € 18.500

0,5%

 

€ 74.000 + € 18.500

0,6%

Tweeverdieners zonder kinderen

€ 37.000 + € 37.000

0,4%

 

€ 74.000 + € 37.000

0,5%

Alleenstaande

€ 18.500

1,2%

 

€ 37.000

0,4%

 

€ 74.000

0,6%

Alleenstaande ouder

€ 18.500

1,3%

 

€ 37.000

0,7%

Niet-werkende sociale minima

 

 

Paar met kinderen

€ 16.800

0,8%

Alleenstaande

€ 11.750

0,1%

Alleenstaande ouder

Afhankelijk van leeftijd kind

0,9%

Niet-werkende AOW-gerechtigden

 

 

Alleenstaand, alleen AOW 

€ 14.350

0,5%

Alleenstaand, AOW + € 10.000

€ 24.350

0,6%

Paar, alleen AOW

€ 19.600

0,5%

Paar, AOW + € 10.000

€ 29.600

0,6%

Dit overzicht is zo opgesteld, dat het lijkt alsof iedereen erop vooruit gaat. Dat komt doordat er met een ‘mediaan’ wordt gewerkt. Iedereen uit dezelfde categorie wordt op één hoop geveegd. In de praktijk blijkt dat er bijna 1 miljoen huishoudens zijn die erop achteruit gaan. Onder anderen AOW-gerechtigden met een relatief hoog aanvullend ouderdomspensioen en mensen met een vervroegd pensioen leveren in. 

Inkomstenbelasting vanaf 2017
De verschillen in koopkrachtontwikkeling worden onder meer veroorzaakt door wijzigingen in de inkomstenbelasting en toeslagen. De meeste heffingskortingen gaan omhoog, hoewel de stijging minder hoog is dan in 2015 was toegezegd. De tariefschijven in de inkomstenbelasting worden bovendien aangepast. Opvallend is dat het tarief in de tweede en derde schijf omhoog gaat van 40,4% naar 40,8% (tot de AOW-gerechtigde leeftijd). Voor AOW-gerechtigden gaat het tarief van de derde schijf ook omhoog van 40,4% naar 40,8%. Het tarief in de tweede schijf stijgt voor deze groep van 22,5% naar 22,9%. De grens om in het hoogste tarief van de inkomstenbelasting te komen, ligt in 2017 op € 67.072 (2016: € 66.421). 

Voorbeeld  tarieven inkomstenbelasting
Een belastingplichtige (jonger dan de AOW-leeftijd) verdient € 60.000 bruto per jaar. De verschuldigde inkomstenbelasting in 2016 bedraagt:

1e schijf:         € 19.922 x 36,55% =                         €   7.281

2e schijf:         (€ 34.027 -/- € 19.922) x 40,40% =   €   5.698

3e schijf:         (€ 60.000 -/- € 34.027) x 40,40% =   € 10.493

4e schijf:                     nihil x 52%                              nihil

Totaal:                                                                        € 23.472

De verschuldigde inkomstenbelasting in 2017 bedraagt:

1e schijf:          € 19.982 x 36,55% =                         €   7.303

2e schijf:          (€ 34.130 -/- € 19.982) x 40,80% =   €   5.772

3e schijf:          (€ 60.000 -/- € 34.130) x 40,80% =   € 10.554

Totaal:                                                                        € 23.629

Verschil: € 157 meer inkomstenbelasting in 2017. Op basis van deze berekening lijkt de koopkracht voor deze persoon met € 157 af te nemen. Hij is immers in beginsel € 157 meer inkomstenbelasting verschuldigd.

Heffingskorting
Een ander belangrijk onderdeel van de inkomstenbelasting, is het systeem van de heffingskortingen. Er zijn vele verschillende heffingskortingen. De maximale algemene heffingskorting wordt verhoogd van € 2.242 naar € 2.254, en de afbouw van deze heffingskorting (voor inkomens boven de € 19.982) gaat minder snel dan in 2016. Voorbeeld afbouw algemene heffingskorting

Bij een bruto inkomen van € 60.000, is de algemene heffingskorting:

In 2016:

Het maximum van € 2.242 -/- de afbouw.

De afbouw bedraagt 4,822% over het inkomen boven de € 19.922. Dat is 4,822% x 40.078 = € 1.932.

Totale heffingskorting: € 2.242 -/- € 1.933 = € 309. Sinds 2016 is er geen minimale algemene heffingskorting meer. 

In 2017:

Het maximum van € 2.254 -/- afbouw.

De afbouw bedraagt 4,787% over het inkomen boven de € 19.982. Dat is 4,787% x € 40.018 = € 1.916.

Totale heffingskorting: € 2.254 -/- € 1.916 = € 338.  

De algemene heffingskorting voor iemand met een inkomen van € 60.000 neemt dus toe met € 29. Dit is minder dan het eerder berekende belastingnadeel van € 157. Op grond van deze berekening, gaat iemand met een inkomen van € 60.000 er dus nog steeds € 128 op achteruit. Er is echter nog een verandering in een andere heffingskorting: de arbeidskorting. De arbeidskorting gaat omhoog van € 3.103 naar € 3.223. Bovendien neemt de arbeidskorting vanaf 2017 slechts met 3,6% af boven een inkomen van € 32.444 (in 2016: afname 4% vanaf € 34.027).  

Voorbeeld afbouw arbeidskorting. Bij een bruto inkomen van € 60.000, is de arbeidskorting: 

In 2016:

Het maximum van € 3.103 -/- afbouw.

De afbouw is 4% over het inkomen boven de € 34.027. Dat is 4% x € 25.973 = € 1.039.

De arbeidskorting bedraagt dus € 3.103 -/- € 1.039 = € 2.064. 

In 2017:

Het maximum van € 3.223 -/- afbouw.

De afbouw is 3,6% over het inkomen boven de € 32.444**. Dat is 3,6% x € 27.556 = € 992.

De arbeidskorting bedraagt dus € 3.223 -/- € 992 = € 2.231.  

De arbeidskorting in 2017 is dus € 167 hoger dan in 2016.

**Dit bedrag is in het belastingplan genoemd als beginpunt van de afbouw, waar dit voorheen altijd de grens van de 3e tariefschijf was.

Aleenstaande
Een alleenstaande met een inkomen van € 60.000 gaat er licht op vooruit in 2017. Zijn inkomstenbelasting vóór de heffingskorting neemt toe met € 157. Maar zijn algemene heffingskorting en arbeidskorting nemen ook toe, met € 29 respectievelijk € 167. In totaal neemt zijn besteedbaar inkomen toe met € 39. Dat is een vooruitgang van 0,18%. Omdat de overheid uitgaat van een inflatie van 0,6% en een loonstijging van 1,6%, zien de koopkrachtontwikkelingen er rooskleuriger uit dan dit percentage.

Ouderenkorting 
De ouderenkorting per 2017 bedraagt € 1292 (in 2016: € 1187) voor pensioengerechtigden met een verzamelinkomen van niet meer dan € 36.057. Met deze verhoging van de ouderenkorting wordt de koopkracht van pensioengerechtigden structureel verbeterd. 

Verhogen toeslagen
De zorg- en huurtoeslag worden verhoogd naar € 12 miljard (2016: € 10 miljard). Ook het kindgebonden budget gaat omhoog. Juist de lagere inkomens of minima profiteren van de verhoging van de toeslagen, waardoor zij er relatief meer op vooruit gaan dan werknemers met een modaal of hoger inkomen. 

Vermogensrendementsheffing vanaf 2017
Het kabinet heeft in 2015 al aangekondigd dat de vermogensrendementsheffing sterk gaat veranderen. We herhalen de inhoud daarvan, nu deze op 1 januari 2017 van kracht wordt. De vermogensvrijstelling gaat omhoog naar € 25.000 per persoon (2016: € 24.437). Dit bedrag wordt overigens waarschijnlijk nog verhoogd met een inflatiecorrectie. Boven dit bedrag vindt een ingewikkelde berekening plaats van het te belasten rendement. De grondslag van vermogen wordt verdeeld in verschillende rendementsklassen. 

Voor zover het vermogen boven de vrijstelling ligt tussen de € 0 en € 75.000, valt 67% van dit vermogen in rendementsklasse I en 33% van dit vermogen in rendementsklasse II. Het forfaitaire (fictieve) rendement in rendementsklasse I is 1,63% en dat in klasse II is 5,5%. Dat betekent dat het rendement gesteld wordt op (67% x 1,63% + 33% x 5,5%) = 2,9071%. Hiervan wordt 30% belast. De effectieve belastingdruk op vermogen boven de vrijstelling komt daarmee op 0,87213% voor vermogens tot de € 75.000 boven de vrijstelling. 

Voor zover het vermogen boven de vrijstelling valt in de categorie tussen de € 75.000 en € 975.000, geldt een andere verdeling. In dat geval wordt aan 21% een rendement van 1,63% toegekend en aan de rest een rendement van 5,5%. De belastingdruk in die categorie komt uit op 1,40619%. Voor vermogens die hier bovenuit komen, geldt dat (voor het meerdere) volledig uitgegaan wordt van een rendement van 5,5%, met een belastingdruk van 1,65%.  

Voorbeeld:
Het vermogen van X bedraagt € 120.000. Het heffingvrije vermogen bedraagt € 25.000. De rendementsgrondslag is dus € 95.000. In het nieuwe systeem kan de te betalen belasting als volgt worden berekend: 

Rendementsklasse I:                                                          Rendementsklasse II:

1e schijf 67% x € 75.000 =                  € 50.250       33% x € 75.000 =                   € 24.750

2e schijf 21% x € 20.000 =                  €   4.200       79% x € 20.000 =                   € 15.800

3e schijf 0% x 0 =                                €          0        100% x 0 =                             € 0

Grondslag sparen en beleggen           € 54.450                                                       € 40.550 

Het voordeel sparen en beleggen bedraagt 1,63% x € 54.450 + 5,5% x € 40.550 = € 3.118 De te betalen belasting bedraagt 30% x € 3.118 = € 935. In 2016 is de VRH nog 4% x 30% x (€ 120.000 -/- € 24.437) = € 1.146.

Er is zeer veel kritiek op deze wijze van het berekenen van het rendement op vermogen. Staatssecretaris Wiebes van Financiën onderzoekt of het mogelijk is om op termijn het werkelijke rendement op vermogen te belasten. Dit zal echter niet lukken voor 2017. 

Sociale zekerheid
Er is weinig groot nieuws op het gebied van sociale zekerheid. We benoemen een aantal kleine wijzigingen, en geven daarnaast aan welke veranderingen al eerder waren aangekondigd.

  • Kinderopvang
    Vanaf 2017 investeert het kabinet € 200 miljoen per jaar in de kinderopvang. Enerzijds om de kwaliteit te verhogen, en anderzijds om de kosten voor ouders te verlagen. Hiermee hoopt het kabinet meer ouders te motiveren te gaan werken.
  • Werkgelegenheid
    Werkgevers worden meer gestimuleerd om 50-plussers in dienst te nemen. Er komt een actieplan dat dit moet bewerkstelligen.
    Door de Participatiewet aan te passen, wordt het ook voor hen makkelijker aan het werk te komen. De gemeente voorziet dan in een loonkostensubsidie. Bovendien lopen werkgevers geen risico hen door te moeten betalen bij ziekte, door invoering van een no-riskpolis. Ook het UWV krijgt er geld bij, waarmee ze werkzoekenden beter kunnen helpen aan een baan te komen.
    Tot slot wordt op 1 januari 2017 het ‘lage inkomensvoordeel’ ingevoerd: werkgevers krijgen financieel voordeel als zij mensen in dienst nemen of houden die (net iets meer dan) het minimumloon verdienen.
  • Schulden
    Mensen met schulden komen hier moeilijk uit. Het kabinet wil dat gemeenten hun inwoners helpen om hun schulden op te lossen. Er komt bovendien een adempauze voor schuldenaars: schuldeisers moeten de schuldenaar vanaf 1 januari 2017 in bepaalde gevallen gedurende 6 maanden met rust laten, zodat ze hun zaken op orde kunnen brengen.
    Tot slot wordt regelgeving de beslagvrije voet vereenvoudigd. Nu is de regelgeving nog zo ingewikkeld, dat deze beslagvrije voet (het deel van het inkomen waarop schuldeisers geen aanspraak kunnen maken) vaak niet wordt toegepast.   

De AOW-leeftijd ligt vanaf 2021 op 67 jaar. De AOW-leeftijd neemt vanaf 2022 verder toe, afhankelijk van de levensverwachting. Een verdere verhoging van de AOW-leeftijd moet echter minimaal 5 jaar voorafgaand aan die verhoging worden gepubliceerd. Dat betekent dat als de AOW-leeftijd in 2022 omhoog gaat, uiterlijk op 31 december 2016 bekend moet worden gemaakt wat die leeftijd wordt. Mogelijk kunnen ze die termijn nog enkele maanden uitstellen, als de AOW-leeftijd bijvoorbeeld pas in maart 2022 omhoog zou gaan. Maar in maart 2017 zijn er verkiezingen, wat het minder waarschijnlijk maakt dat politieke partijen zich zouden durven uitspreken over een verdere verhoging. Tijdens Prinsjesdag 2016 is hierover in elk geval niets genoemd. 

Ook is eerder in 2016 al besloten dat het minimumloon voor volwassenen gaat gelden voor iedereen vanaf 22 jaar (dit was 23 jaar). De wijziging gaat in op 1 juli 2017, hoewel voorzien was dat deze wijziging al op 1 januari 2017 zou ingaan. Als deze aanpassing geen negatieve effecten op de arbeidsmarkt heeft, zal de leeftijd verder worden verlaagd naar 21 jaar (vanaf 1 juli 2019). 

Vanaf 2017 investeert het kabinet € 200 miljoen per jaar in de kinderopvang. Enerzijds om de kwaliteit te verhogen, en anderzijds om de kosten voor ouders te verlagen. Hiermee hoopt het kabinet meer ouders te motiveren te gaan werken. 

Financiële sector in zijn algemeen
Het kabinet kijkt tevreden terug op de maatregelen die sinds 2008 – aan het begin van de kredietcrisis – zijn genomen waardoor de bankensector meer solide is geworden. De vier systeemrelevante banken (Rabobank, ING, ABN AMRO en SNS) moeten uiterlijk in 2018 voldaan aan nieuwe, striktere kapitaaleisen. Ook voor verzekeraars gelden strengere kapitaaleisen (via Solvency II).

Maar de bankensector moet meer open en integer worden. Door het provisieverbod is al ingezet op het voorkomen van financiële prikkels om bepaalde risico’s te nemen, ten koste van klanten. Ook beperking van het bonusbeleid bij banken heeft daarbij geholpen. Maar de financiële sector moet meer doen om het vertrouwen van de burger terug te winnen. Transparantie en eenvoud – bijvoorbeeld van financiële producten – moeten daarbij centraal staan. Het kabinet heeft meer ruimte gemaakt voor alternatieve kredietaanbieders (kredietinstellingen, crowdfunding) en er zijn stappen gezet om toetreding tot de bancaire markt te vergemakkelijken. Consumenten hebben hier baat bij en het kan ook een positief effect hebben op de financiële stabiliteit.

Groepen, categorieën binnen die groep  

Met een inkomen van*

Koop-kracht-ontwik-keling 2017

Werkenden

 

 

Alleenverdiener met kinderen

€ 37.000

0,2%

 

€ 74.000

0,1%

Tweeverdieners met kinderen

€ 37.000 + € 18.500

0,5%

 

€ 74.000 + € 18.500

0,6%

Tweeverdieners zonder kinderen

€ 37.000 + € 37.000

0,4%

 

€ 74.000 + € 37.000

0,5%

Alleenstaande

€ 18.500

1,2%

 

€ 37.000

0,4%

 

€ 74.000

0,6%

Alleenstaande ouder

€ 18.500

1,3%

 

€ 37.000

0,7%

Niet-werkende sociale minima

 

 

Paar met kinderen

€ 16.800

0,8%

Alleenstaande

€ 11.750

0,1%

Alleenstaande ouder

Afhankelijk van leeftijd kind

0,9%

Niet-werkende AOW-gerechtigden

 

 

Alleenstaand, alleen AOW 

€ 14.350

0,5%

Alleenstaand, AOW + € 10.000

€ 24.350

0,6%

Paar, alleen AOW

€ 19.600

0,5%

Paar, AOW + € 10.000

€ 29.600

0,6%

Premium | FinsourceOne vaktechniek artikelen

Je eerste 2 Premium vaktechniek artikelen voor deze maand zijn op.

Meer premium artikelen lezen?
Word dan Member!

Bekijk de Memberships