Belastingplan 2019: wijzigingen in de Wet Vpb

In het Belastingplan 2019 van 18 september 2018 is een aantal wijzigingen in de Wet Vennootschapsbelasting aangekondigd. Op de volgende voorgestelde wijzigingen wordt hierna ingegaan:

 

  • Het vpb-tarief

  • De afschrijving op een bedrijfspand

  • De verliesverrekeningstermijn

  • De earningstrippingregeling

image_pdf

Het vpb-tarief

Het tarief wordt in drie stappen verlaagd van 25% naar 22,25% (2019: 24,3%, 2020: 23,9% en 2021: 22,25%). Het lage tarief (over een belastbare winst tot € 200.000) gaat omlaag van 20% naar 16% (2019: 19%, 2020: 17,5% en 2021: 16%).

 

Gezien deze mogelijke tariefsverlaging kan een bv een belastingvoordeel realiseren door indien mogelijk winsten uit te stellen tot 2021 en toekomstige kosten in de tijd naar voren te halen. Hierbij moet een bv zich echter wel houden aan de spelregels van goedkoopmansgebruik. Bovendien moet er sprake zijn van een bestendige gedragslijn.

Deze wettelijke bepaling betekent dat goed koopmansgebruik een wijziging in de door de bv gekozen manier om de winst te bepalen rechtvaardigt indien een bv wil overgaan van een op zich aanvaardbaar stelsel van winstberekening naar een ander zodanig stelsel dat voor de desbetreffende bv geschikt is, mits niet naar willekeur en louter op fiscale gronden tot stelselwijziging wordt besloten. De voorwaarde dat niet louter op fiscale gronden tot stelselwijziging mag worden besloten, betekent dat de overgang naar een ander stelsel van winstberekening niet gericht mag zijn op het behalen van een incidenteel fiscaal voordeel (zie Hoge Raad 14 januari 1970, nummer 16.270).

 

Samen met het voorstel om het aanmerkelijkbelangtarief van 25% te verhogen naar 26,9% in 2021 heeft de verlaging van het vpb-tarief voor een DGA het volgende effect op de belastingdruk over de winst (W) in de bv:

 

W*Vpb + (W-/-W*Vpb)*Ab    = belastingdruk
W*16% + (W-/-W*16%)*26,9%   = belastingdruk
0,16W + 0,84W*26,9%    = belastingdruk
0,16W + 0,22596W   = belastingdruk
0,38596W  = belastingdruk

 

De gecombineerde belastingdruk is met ongeveer 38,6% in 2021 derhalve dus lager dan de huidige 40%. Bij een tarief aan vennootschapsbelasting van 22,25% bedraagt in 2021 de gecombineerde belastingdruk ongeveer 43,16%. Dit is eveneens lager dan de huidige belastingdruk van 43,75%.

 

De afschrijving op een bedrijfspand

Het voorstel is dat vennootschapsbelastingplichtige ondernemingen voortaan nog slechts mogen afschrijven op een pand in eigen gebruik tot een boekwaarde is bereikt van 100% van de WOZ-waarde (de bodemwaarde). Dit is nu 50% van de WOZ-waarde. Afschrijven op een bedrijfspand wordt hiermee dus drastisch ingeperkt. Voor panden die ter belegging worden aangehouden geldt al dat afschrijven slechts mogelijk is tot een boekwaarde gelijk aan de geldende WOZ-waarde.

 

Afschrijven tot 50% van de WOZ-waarde is vanaf 2019 echter wel nog mogelijk in de inkomstenbelasting. Dit betekent dat de ib-ondernemer en diegene die resultaat uit overige werkzaamheden realiseert een hoger afschrijvingspotentieel hebben.

Een DGA zou hiervan gebruik kunnen maken door het bedrijfspand over te brengen naar privé en het bedrijfspand vanuit privé te verhuren aan de bv. Hierdoor wordt het bedrijfspand ter beschikking gesteld aan de bv, waardoor de opbrengsten (huurbaten) minus de lasten (inclusief afschrijving) in box 1 belast zullen worden. Vanaf 2021 zal dat tegen 37,05% of tegen maximaal 49,5% (bij een belastbaar inkomen vanaf € 68.507) zijn. Bovendien heeft de DGA dan recht op de terbeschikkingstellingsvrijstelling van 12%.

 

De vraag is natuurlijk wel of het recht op de terbeschikkingstellingsvrijstelling van 12%, het liquiditeitsvoordeel van een hogere afschrijving en een eventueel lagere belastingdruk (huurbate belast tegen 37,05% en aftrekbaar bij bv tegen ongeveer 38,6%) opwegen tegen de betaling van 6% overdrachtsbelasting en het in de vennootschapsbelasting afrekenen van een eventuele stille reserve op het bedrijfspand. Medebepalend hierbij is bovendien hoe het pand naar privé wordt overgedragen: in de vorm van een dividenduitkering, tegen schuldigerkenning of door het aantrekken van een bancaire financiering.

 

De verliesverrekeningstermijn

De mogelijkheid om verliezen uit voorgaande (boek)jaren te verrekenen met positieve belastbare winsten uit latere jaren wordt beperkt tot zes jaar. Op dit moment kunnen verliezen nog gedurende negen jaren voorwaarts verrekend worden. De achterwaartse verliesverrekening blijft één jaar.

Verliezen geleden in 2019 kunnen dus uiterlijk tot en met 2025 worden verrekend. Voor nog niet verrekende verliezen die voor 2019 zijn geleden geldt conform de huidige regels van voorwaartse verliesverrekening een termijn van maximaal negen jaar. Dus een verlies uit het jaar 2018 kan verrekend worden met winsten tot en met uiterlijk 2027, een verlies uit 2017 mag uiterlijk in 2026 verrekend worden en een verlies uit 2016 uiterlijk in 2025, etcetera.

Door de voorgestelde wijziging van de termijn voor voorwaartse verliesverrekening van de negen volgende jaren naar de zes volgende jaren, in samenhang met de verplichte volgorde van verliesverrekening (op grond waarvan de verrekening van verliezen geschiedt in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan), bestaat de mogelijkheid dat een ’jonger’ verlies (geleden in 2019 of 2020) eerder verdampt dan een ‘ouder’ verlies (geleden in 2017 of 2018). Om dit effect weg te nemen, wordt overgangsrecht voorgesteld. Dit overgangsrecht regelt dat:

 

  • Het verlies geleden in 2019 wordt verrekend voor verliezen geleden in 2017 en 2018.
  • Het verlies geleden in 2020 wordt verrekend voor een verlies geleden in 2018.

 

Deze maatregel heeft tot gevolg dat nog te verrekenen verliezen eerder zullen verdampen. Dit kan een bv voorkomen door indien mogelijk winsten in de tijd naar voren te halen. Hierbij moet een bv zich echter wel houden aan de spelregels van goedkoopmansgebruik. Bovendien moet er sprake zijn van een bestendige gedragslijn. Een oplossing kan bijvoorbeeld zijn dat de bv een bedrijfspand met stille reserves aan de DGA verkoopt (zie ‘de afschrijving op een bedrijfspand’).

 

Een andere mogelijkheid is dat de DGA tijdig – indien beschikbaar – box 3-vermogen in de bv inbrengt. Hierdoor blijft het rendement op dit vermogen onbelast door de nog aanwezige compensabele verliezen in de bv terwijl de DGA geen vermogensrendementsheffing meer verschuldigd is over het ingebrachte vermogen. Hiertegenover staat wel dat er een aanmerkelijkbelangclaim van 25% (vanaf 2021: 26,9%) op het rendement ontstaat voor zover de bv positieve winstreserves heeft.

Het is dan financieel aantrekkelijk om vermogen in de bv in te brengen wanneer het verwachte rendement lager is dan 4 maal de marginale vermogensrendementsheffing. Vanaf 2021 is dat 3,72 maal de marginale vermogensrendementsheffing.

 

Het voorstel is om ook de voorwaartse verliesverrekeningsperiode in box 2 te verkorten van negen naar zes jaar overeenkomstig de voorgestelde verkorting van de voorwaartse verliesverrekening in de wet vennootschapsbelasting.

 

De earningstrippingregeling

Er wordt een nieuwe renteaftrekbeperking ingevoerd in de vorm van een zogenoemde earningstrippingregeling. Deze regeling heeft tot gevolg dat overtollige rentelasten (het saldo van rentelasten en rentebaten) slechts aftrekbaar zijn tot 30% van de gecorrigeerde Nederlandse fiscale winst (EBITDA). De regeling bevat een franchise van € 1.000.000. Het meerdere is niet aftrekbaar, maar kan wel onbeperkt worden voortgewenteld naar een volgend jaar. Er wordt geen groepsuitzondering ingevoerd, zodat de renteaftrekbeperking in beginsel per entiteit moet worden toegepast. Wel mag de earningsstrippingmaatregel worden toegepast op het niveau van de fiscale eenheid.

Verder wordt een antimisbruikbepaling voorgesteld om de handel in zogenoemde rentelichamen tegen te gaan. Rentelichamen zijn lichamen met aanspraak op voortgewentelde – bij het bepalen van de winst in aanmerking te nemen – rente uit voorgaande jaren op basis van de earningsstrippingmaatregel. De bepaling voorkomt dat handel in dergelijke lichamen ontstaat.

 

Tevens wordt voorgesteld om de aftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente, de aftrekbeperking voor bovenmatige overnamerente en de beperking van de verrekening van verliezen voor houdster- en financieringsmaatschappijen af te schaffen. De specifieke renteaftrekbeperking gericht tegen winstdrainage blijft echter bestaan.

Jos Brauwers
Over Jos

Jos Brauwers (1961) is als bedrijfs- en fiscaal econoom al ruim 30 jaar actief op het gebied van vermogensplanning, vermogensstructurering en fiscale structurering van de ondernemer. Hierin staat voor hem centraal welke (toekomst)doelen heeft een ondernemer en (hoe) kan de ondernemer deze [...]

Bekijk profiel