Belastingwijzigingen per 1 januari 2020

Als financieel adviseur moet u goed op de hoogte zijn van de verschillende belastingtarieven. Per 1 januari zijn veel van deze tarieven gewijzigd. In dit artikel komen de belangrijkste belastingwijzigingen per 1 januari 2020 aan bod binnen de volgende categorieën:  Inkomsten- en loonbelasting Vennootschapsbelasting en fiscale structurering bv- en privévermogen Btw en accijns Schenk- en erfbelasting Overig

1.0 Inkomsten- en loonbelasting 2020

1.1 Tarieven box 1 2020 versus 2019 (belastingplichtigen jonger dan AOW-leeftijd)

Wat opvalt is dat we in 2020 eerder dan oorspronkelijk de bedoeling was voor de inkomstenbelasting naar een tweeschijvenstelsel gaan.

 

Dit tweeschijvenstelsel zal alleen gelden voor belastingplichtigen die premieplichtig zijn voor alle volksverzekeringen, ofwel diegenen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. In 2019 waren er nog drie schijven voor de inkomstenbelasting: het tarief tot een inkomen van € 20.384 bedroeg 36,65%. Voor een inkomen tussen € 20.384 en

€ 68.507 was het tarief 38,10%. En voor het deel van het inkomen boven de € 68.507, bedroeg het tarief 51,75%.

 

In 2020 zijn er nog maar twee belastingschijven. Het tarief tot een belastbaar inkomen van € 68.507 is 37,35%. Dit percentage bestaat voor 9,7% uit belasting. Het restant van 27,65% is bestemd voor de premie volksverzekeringen bestaande uit premie AOW, AWBZ/ WLZ en ANW. Het percentage premies volksverzekeringen blijft in 2020 ongewijzigd ten opzichte van 2019. Voor het deel van het inkomen boven de € 68.507 is het belastingtarief 49,50%. Ten opzichte van 2019 zien we verder dat de grensbedragen voor wat betreft schijf 1 en 2 geïndexeerd zijn met respectievelijk 1,6% en 1,2% in 2020. De hoogste belastingschijf start bij een belastbaar inkomen van

€ 68.507. Dit grensbedrag blijft ongewijzigd ten opzichte van 2019 (zie verder figuur 1).

 

Figuur 1

1.2 Tarieven box 1 2020 versus 2019 (belastingplichtigen ouder dan AOW-leeftijd)

Voor AOW-gerechtigden geldt tot een inkomen van € 34.712 (of € 35.375 voor mensen geboren voor 1946) een gecombineerd tarief van 19,45%, omdat zij niet premieplichtig zijn voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). Dit betekent dat in de praktijk voor AOW-gerechtigden er geen sprake is van een twee- maar van een drieschijvenstelsel (zie verder figuur 2).

 

Figuur 2

1.3 Premies sociale verzekeringen

De premiepercentages voor de volksverzekeringen blijven in 2020 gelijk ten opzichte van 2019, respectievelijk 17,90% (AOW), 0,10% (ANW) en 9,65% (AWBZ/ WLZ) (zie figuur 1 en 2).

 

Het percentage van de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ZVW bedraagt dit jaar 6,70%. Verzekeringsplichtigen die andere inkomensbestanddelen genieten zijn hierover zelf een inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van 5,45% verschuldigd. Het maximale bijdrage-inkomen bedraagt in beide situaties € 57.232 (in 2019 € 55.927, indexatie van 2,33%).

 

De Basispremie Arbeidsongeschiktheidsfonds (AO) is voor dit jaar vastgesteld op 6,77%. In 2019 was dit 6,46%.

 

De lage premie voor het Algemeen werkloosheidsfonds (AW) bedraagt dit jaar 2,94% en de hoge premie 7,94%. In 2019 was er nog maar een tarief, namelijk 3,6%.

 

Zie voor de overige premies sociale verzekeringen figuur 3. 

 

Figuur 3

1.4 Grondslag-verminderende posten

Het toptarief in box 1 bedraagt per dit jaar dus 49,50%, maar dit betekent niet dat aftrekposten in box 1 ook tegen dit tarief in aanmerking genomen mogen worden. Voor de in het Belastingplan 2019 aangewezen grondslag-verminderende posten bedraagt het aftrektarief dit jaar maximaal 46% voor diegenen met een hoger belastbaar inkomen dan € 68.507. Dit percentage zal de komende jaren nog verder afnemen tot 43% in 2021, 40% in 2022 en 37,1% vanaf 2023. De opbrengst wordt gebruikt voor een verlaging van het eigenwoningforfait. Voor woningen met een eigenwoningwaarde van tussen de € 75.000 en € 1.090.000 gaat het forfait in de jaren 2021 tot en met 2023 steeds met 0,05% omlaag naar 0,45% per 2023. In 2019 was dit percentage nog 0,65% en liep deze schijf tot € 1.080.000 (zie verder figuur 4 en alsook figuur 12 verderop in dit artikel).

  

Onder de grondslag-verminderende posten vallen:

 

  • Hypotheekrenteaftrek: in 2019 bedroeg het maximale belastingpercentage waarover huizenbezitters hun hypotheekrente mochten aftrekken 49%. Dit jaar is dit afgenomen tot 46% (in 2013 was dit nog 52%)
  • De ondernemersaftrek, bestaande uit de zelfstandigenaftrek, de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, de meewerkaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de stakingsaftrek
  • De mkb-winstvrijstelling, mits het gezamenlijke bedrag van de met de ondernemersaftrek verminderde winst positief is
  • De terbeschikkingstellingsvrijstelling, mits het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit werkzaamheden positief is
  • De persoonsgebonden aftrek, bestaande uit onderhoudsverplichtingen, specifieke zorgkosten, weekenduitgaven voor gehandicapten, scholingsuitgaven, uitgaven voor monumentenpanden, giften, persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren en verliezen op beleggingen in durfkapitaal

Figuur 4

1.4.1 Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

Sinds 1 januari 2019 wordt de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (zogenoemde Wet Hillen) beperkt. Deze aftrek wordt in 30 jaar uitgefaseerd door de aftrek jaarlijks met 31/3 procent te verlagen. Dit jaar kan 931/3 procent van het verschil tussen de voordelen uit eigen woning en de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten in aftrek worden gebracht. Voor iemand die woont in een huis met een WOZ-waarde van € 300.000 en geen aftrekbare kosten heeft, daalt de aftrek hierdoor in 2020 met € 60.

Voorbeeld

Espen Bruin heeft een bruto jaarinkomen van € 50.000 en de WOZ-waarde van zijn woning is vastgesteld op € 300.000 euro. In 2019 is de hypotheek volledig afgelost. Voor het voorbeeld gaan we er even van uit dat de WOZ-waarde en het inkomen van Espen gelijk blijven en dat zijn belastingtarief respectievelijk 38,1% en 37,35% bedraagt.

 

In 2019 was de bijtelling voor het eigenwoningforfait 0,65%. Dat betekende dat Espen

€ 1.950 (0,65% x € 300.000) aan eigenwoningforfait moest betalen. Vorig jaar was het eerste jaar dat de wet was afgeschaft, dus was hij in 2019 over 1/30 deel belasting verschuldigd. Dat is € 65 (1/30 van € 1.950). Het belastingtarief dat bij dit inkomen paste in 2019 was 38,1%, dus dat betekende dat Espen € 24 (38,1% x € 65) aan belasting moest betalen.

 

In 2020 is de bijtelling voor het eigenwoningforfait verlaagt naar 0,6% en de WOZ-waarde gestegen naar € 315.000. Dat betekent dat Espen € 1.890 (0,6% x € 315.000) aan eigenwoningforfait moet betalen. Het is het tweede jaar dat de Wet Hillen is afgeschaft, dus hij is over 2/30 deel belasting verschuldigd. Dat is € 126 (2/30 van

€ 1.890). Op basis van zijn belastingtarief moet hij € 47 (37,35% x € 126) aan belasting betalen. Ofwel bijna het dubbele ten opzichte van 2019. Zie verder ook figuur 12.

1.5 Heffingskortingen

Heffingskortingen zijn kortingen op de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Hierdoor is een belastingplichtige minder inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen verschuldigd. Welke heffingskortingen iemand krijgt, hangt af van zijn persoonlijke situatie.

 

De volgende zeven heffingskortingen bestaan er:

 

  • Algemene heffingskorting
  • Arbeidskorting
  • Inkomensafhankelijke combinatiekorting
  • Heffingskortingen voor AOW-gerechtigden
  • Jonggehandicaptenkorting
  • Levensloopverlofkorting
  • Heffingskorting voor groene beleggingen

1.5.1 Algemene heffingskorting (<AOW)

Het kabinet neemt een aantal maatregelen om de koopkracht van vooral diegenen met een lager inkomen te verbeteren. Dit wordt gedaan via een verhoging van de algemene heffingskorting. Zo stijgt de algemene heffingskorting met € 234 tot € 2.711 voor inkomens tot € 20.711 bruto per jaar. De algemene heffingskorting bouwt daarentegen af tussen € 20.711 en € 68.507 bruto per jaar, waardoor hoe hoger het inkomen in steeds mindere mate wordt geprofiteerd van de verhoging van de algemene heffingskorting. In figuur 5 is dit grafisch weergegeven. In figuur 6 zijn de cijfermatige verschillen tussen dit jaar en 2019 weergegeven.

 

Figuur 5

1.5.2 Algemene heffingskorting (>AOW)

AOW-gerechtigden hebben geen recht op de volledige verhoging van het maximumbedrag van de algemene heffingskorting, omdat zij niet premieplichtig zijn voor de AOW. Voor hen stijgt de maximale algemene heffingskorting met € 145 (zie ook figuur 6).

 

Figuur 6

1.5.3 Arbeidskorting (<AOW)

Vanaf dit jaar geldt een nieuw, derde opbouwtraject in de arbeidskorting. De arbeidskorting neemt toe met 1,656% van het arbeidsinkomen tussen € 21.430 en

€ 34.954 bruto per jaar. Verder geldt een generieke verhoging van de arbeidskorting. Hierdoor stijgt de arbeidskorting voor alle werkenden met een arbeidsinkomen tot

€ 98.604 bruto per jaar. Dit is een sterke stijging ten opzichte van 2019, toen was de arbeidskorting tot nul gedaald bij een bruto-inkomen van € 90.710 per jaar. De stijging wordt betaald door een verlaging van de zelfstandigenaftrek (zie 1.6). In figuur 7 is een en ander grafisch weergegeven. In figuur 8 zijn de cijfermatige verschillen tussen dit jaar en 2019 weergegeven.

 

Figuur 7

 

Figuur 8

1.5.4 Overige heffingskortingen

De overige heffingskortingen worden hieronder beschreven en de cijfers zijn weergegeven in figuur 9.

1.5.4.1 (Alleenstaande) ouderenkorting

Als een persoon in het jaar van aangifte de AOW-leeftijd bereikt, dan heeft diegene mogelijk recht op de ouderenkorting en wellicht ook op de alleenstaande-ouderenkorting. De maximale ouderenkorting is € 1.622 voor inkomens tussen € 0 en € 37.372 bruto per jaar. Voor inkomens tussen € 37.372 en € 48.185 bruto per jaar neemt de ouderenkorting af. Deze afname wordt berekend op basis van de volgende formule: € 1.622 - 15% x (verzamelinkomen - € 37.372). Diegenen met een inkomen hoger dan € 48.185 bruto per jaar hebben geen recht op ouderenkorting. Het verzamelinkomen is het totaal van inkomsten en aftrekposten in de drie fiscale boxen, zonder de verrekenbare verliezen over vorige jaren.

 

Iemand heeft eveneens recht op de alleenstaande-ouderenkorting van € 436 als diegene:

 

  • Het hele jaar van aangifte of een deel daarvan een AOW-uitkering voor een alleenstaande krijgt of daar recht op heeft
  • In het jaar van aangifte geen of een gedeeltelijke AOW-uitkering voor een alleenstaande krijgt, omdat diegene voor de AOW-leeftijd in het buitenland woonde of erkend gemoedsbezwaarde bent en daarom geen (volledig) recht op een AOW-uitkering heeft opgebouwd 

1.5.4.2 Inkomensafhankelijke combinatiekorting

Om in aanmerking te komen voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting moet bij de gemeente een kind staan ingeschreven op het woonadres van de belastingplichtige. Het maakt niet uit of het hier een eigen kind betreft, of een kind van de fiscale partner.

 

Verder moet ook zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:

 

  • Het kind is op 1 januari jonger dan 12 jaar
  • Het kind staat ten minste zes maanden in één kalenderjaar bij de gemeente ingeschreven op het woonadres van de belastingplichtige
  • Als de belastingplichtige en het kind korter dan zes maanden op hetzelfde woonadres staan ingeschreven omdat één van beiden overlijdt, krijgt men toch de korting
  • Het arbeidsinkomen van de belastingplichtige is hoger dan € 5.072 bruto per jaar of diegene krijgt zelfstandigenaftrek, of kan deze krijgen
  • De belastingplichtige is alleenstaand en werkt. Of diegene heeft een fiscale partner, werken beiden en zij hebben het laagste arbeidsinkomen

Let op: heeft een belastingplichtige minder dan zes maanden een fiscale partner en is zijn arbeidsinkomen lager dan dat van zijn fiscale partner? Dan telt de fiscale partner niet mee voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

1.5.4.3 Jonggehandicaptenkorting

Heeft een persoon recht op een uitkering volgens de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong-uitkering) of op ondersteuning bij het vinden van werk volgens de wet Wajong? En krijgt deze persoon geen ouderenkorting? Dan komt hij in aanmerking voor de heffingskorting voor jonggehandicapten ter hoogte van € 749.

1.5.4.4 Korting voor groene beleggingen

Een persoon kan in aanmerking komen voor een extra vrijstelling in box 3, bovenop de reguliere vrijstelling, door in een door de overheid aangewezen groenfonds te beleggen. Voorts ontvangt deze persoon ook een extra heffingskorting.

 

De heffingskorting voor deze groenfondsen wordt berekend over maximaal de vrijstelling die een persoon gebruikt bij het bepalen van zijn belastbaar inkomen in box 3 (sparen en beleggen). De heffingskorting is 0,7% van de vrijstelling in box 3. Deze heffingskorting wordt automatisch berekend bij het vaststellen van de belastingaanslag. Deze korting is gelijk aan die van 2019 (zie figuur 9).

 

De vrijstelling in box 3 bedraagt maximaal € 59.477 (zonder fiscale partner) en

€ 118.954 (met fiscale partner). Helaas zijn de meeste groene spaar- en beleggingsrekeningen (tijdelijk) gesloten vanwege de enorme populariteit ervan. Zie verder ook figuur 14 verderop in dit artikel.