Beleid vervallen tijdklemmen voor Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen

Vandaag is het ‘Verzamelbesluit kapitaalverzekeringen’ van 6 december 2014, nr. BLKB2014/1763M, opnieuw uitgebracht. Dit besluit (van 15 mei 2017, nr. 2017-81019) is aangepast aan de gewijzigde wetgeving met ingang van 1 januari 2017 en met ingang van 1 april 2017 (vervallen tijdklemmen). In dat kader zijn goedkeuringen opgenomen voor het vervallen van de tijdklemmen voor Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen (gesloten in periode 1992 – 2000), het premievrijmaken en het verkorten van de premieduur. Daarnaast zijn verschillende paragrafen in het hele besluit aangepast aan het vervallen van de tijdklemmen per 1 april 2017.

Het beleid inzake het vervallen van de tijdklemmen voor Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen is opgenomen in paragraaf 4.2. De integrale tekst van dit beleid luidt als volgt:

“Met ingang van 1 april 2017 is het vereiste minimum aantal jaren (tijdklemmen) dat een belastingplichtige jaarlijks premie moet betalen voor een KEW om een vrijstelling te kunnen krijgen, vervallen (Besluit van 6 maart 2017, Stb. 2017, nr. 91). Deze maatregel geldt niet voor een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering. Wel komen als gevolg van de maatregel de uitzonderingsituaties waarin de tijdklemmen niet van toepassing zijn zoals per 1 januari 2017 wettelijk zijn ingevoerd en die ook van toepassing zijn op een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering met ingang van 1 april 2017 te vervallen. Dit heeft tot gevolg dat vanaf deze datum de tijdklem van minimaal 15 en 20 jaar premiebetaling voor een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering in alle situaties weer onverkort van toepassing is.

In mijn brief van 8 februari 2017 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 78) en de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2016/17, 34 553, B) heb ik aangegeven dat het wenselijk is om de tijdklemmen ook voor Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen geheel te laten vervallen. De achtergrond van de tijdklemmen is bij KEW’s immers dezelfde als bij Brede Herwaarderingsverzekeringen en er is fiscaal gezien geen reden om hier een onderscheid in aan te brengen. Daarom keur ik vooruitlopend op wetgeving het volgende goed.

Goedkeuring
Ik keur onder voorwaarden het volgende goed. Met ingang van 1 april 2017 hoeft een belastingplichtige niet meer minimaal 15 dan wel 20 jaar jaarlijks premie voor een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering te hebben betaald om voor de uitkeringsvrijstelling in aanmerking te kunnen komen. Hierbij cumuleren de twee vrijstellingsbedragen die worden genoemd in artikel 26a, lid 2, Wet IB 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2000. Op een uitkering van een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering geldt dan ongeacht de termijn van premiebetaling steeds een maximale vrijstelling van € 123.428.

Voorwaarden
Ik stel hierbij de voorwaarde dat de overige eisen die de Invoeringswet en de Wet IB 1964 stellen aan de vrijstelling van toepassing blijven. Tot 1 april 2017 gold er voor Brede herwaarderingskapitaalverzekeringen in de specifieke situaties waarin de tijdklemmen konden vervallen een aflossingseis. Bij de hiervoor opgenomen goedkeuring van het geheel vervallen van de tijdklemmen met ingang van 1 april 2017 geldt vanaf die datum voor Brede Herwaarderingsverzekeringen deze eis niet meer.”

 

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel