Bij fictieve afkoop lijfrente achtergehouden bedrag vormt geen te verrekenen loonheffing

Dit bericht betreft een samenvatting van arrest van de Hoge Raad.

Op 8 februari 2019 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen in een zaak (18/00136) waarbij in geschil was of belanghebbende in 2013 recht heeft op verrekening van de door de lijfrenteaanbieder in 2015 aangekondigde inhouding van loonbelasting en premie volksverzekeringen ter zake van de – in verband met de overschrijding van de wettelijke termijn aangenomen – (fictieve) afkoop van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule met de door hem in 2013 verschuldigde inkomstenbelasting. De lijfrenteaanbieder heeft belanghebbende geïnformeerd dat ten onrechte loonheffing is achterhouden en dat dit bedrag aan belanghebbende zal worden uitgekeerd.

 

Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in zijn uitspraak van 28 november 2017 (BK 17/00399) dat de fictief afgekochte aanspraak op lijfrente niet is aan te merken als loon op grond van de Wet LB 1964 en niet aan de inhouding van loonbelasting en premie volksverzekeringen is onderworpen. Het door de lijfrenteaanbieder achtergehouden bedrag kan naar het oordeel van het hof reeds daarom niet worden aangemerkt als geheven loonheffing in de zin van artikel 27, lid 1, Wet LB 1964. Het bedrag kan volgens het hof niet worden verrekend met de voor het jaar 2013 verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

 

A-G Niessen oordeelde in zijn conclusie van 8 november 2018 (A-G 18/00136) dat, nu in casu sprake is van een fictieve afkoop van de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule in verband met overschrijding van de wettelijke uitvoeringstermijn als bedoeld in artikel 3.133, lid 3 Wet IB 2001 (van overeenkomstige toepassing op zo’n oud-regimelijfrente ingevolge onderdeel O, lid 6 Invoeringswet Wet IB 2001), geen sprake is van een afkoopsom die is onderworpen aan de inhouding van loonbelasting. A-G Niessen merkt op dat ingevolge artikel 27, lid 5, Wet LB 1964 een inhoudingsplichtige lijfrenteaanbieder (slechts) verplicht is de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af te dragen. Nu in casu geen sprake is van ingehouden loonbelasting, was de lijfrenteaanbieder niet verplicht het ingehouden bedrag aan de Belastingdienst af te dragen. Nu geen sprake is van geheven loonbelasting, maar van achtergehouden bedragen, kan belanghebbende dat bedrag volgens A-G Niessen niet verrekenen met zijn aanslag inkomstenbelasting. De conclusie van de A-G werd op 11 januari 2019 gepubliceerd.

 

De Hoge Raad volgt de A-G in zijn conclusie en voegt in zijn arrest nog de volgende rechtsoverweging (r.o. 2.4) toe: “Het bedrag dat belanghebbende als ingehouden loonheffing wil verrekenen, is in 2015 door de lijfrenteaanbieder achtergehouden bij de uitbetaling aan belanghebbende van het verzekerde bedrag. Zo al sprake is van ingehouden loonheffing, is die loonheffing niet ingehouden ter zake van de fictieve uitkering in 2013 en daarom niet in 2013 als voorheffing verrekenbaar”.

 

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Het arrest is op 8 februari 2019 gepubliceerd.

Erik van Toledo
Over Erik

Erik van Toledo is werkzaam als fiscaal-technisch medewerker bij de Belastingdienst, regio Amsterdam. Zijn specialismen zijn lijfrenteproducten, kapitaalverzekeringen en bancaire spaarvarianten, en ontslag-/loonstamrechten. Tevens participeert hij in de landelijke Kennisgroep [...]

Bekijk profiel