Blog: Oplossingsrichtingen pensioen in eigen beheer: 3x niks

Voor de 3e keer worden er ideeën gespuid over het vervolg van pensioen in eigen beheer voor Directeuren-GrootAandeelhouders.

Na de brief van voormalig Staatsecretaris Weekers in december 2013, kwam zijn opvolger Wiebes in juni 2014 met het vervolg. Nu, weer een jaar later, dan de 3e brief. Met wederom slechts ‘richtinggevend’ denken.

Of het wordt een OudedagsBestemmingsReserve (OBR), maar nog beter iets geheel nieuws: Oudedagssparen in Eigen Beheer (OEB). Een soort beschikbare premie-lijfrente, en dan de bancaire variant. Wiebes’ voorkeur gaat uit naar de OEB, met uitfasering van de huidige pensioenvoorzieningen in eigen beheer. Om dat een beetje te sturen komt dan – verrassend – de mogelijkheid om de huidige fiscale reserve om te zetten in deze OEB. Waarbij de DGA af is van de problematiek van het enorme verschil tussen de fiscale en de commerciële voorziening. Waarom hij dan niet meteen zijn idee heeft over de periode én de inhoud van de uitfasering weet ik niet. Maar goed, het zal wel 5 jaar zijn.

Is het wat? Ja, maar toch vooral nee. Ja, vanuit de invalshoek dat er een voorziening voor DGA’s moet blijven om met ‘pensioengeld’ te kunnen ondernemen. En ook vanuit de eenvoud – gewoon een beschikbare premieregeling, met een staffel, die op de ingangsdatum omgezet moet worden in een ‘bancaire lijfrente’ van dus 20 jaar. Een beetje oprenten met de marktrente en een kind kan de was doen.

Doe je iets wat niet mag of keer je teveel dividend uit, dan is de aanspraak – dat is gewoon de reserve – progressief belast, met 20% revisierente erbij. Bij de OBR krijg je 40% revisierente, naast de Vpb-heffing. In beide gevallen geldt dat als het geld er niet is, dat het normale bedrijfsrisico is van de DGA én dus de fiscus. Net als nu.

Wiebes adresseert vervolgens – terecht – het overgangsregime. Als de huidige opgebouwde pensioenaanspraken uitgediend mogen worden, dan betekend dit een overgangsperiode van tientallen jaren. Dat wil hij niet en niemand.

Met de optie om de facto ‘af te stempelen’ tot de fiscale voorziening maakt hij het de DGA wel heel makkelijk om over te stappen. Of de ex-partner het hier mee eens is, vraag ik mij –retorisch – wel af.

Op de nieuwe OBR of OEB is uiteraard de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding niet van toepassing, het is immers lijfrente en geen pensioen.

Maar, dan komt mijn conclusie. Als je toestaat dat de fiscale voorziening omgezet mag worden, waarom dan niet de huidige systematiek in stand gelaten? We blijven dan gewoon pensioen in eigen beheer opbouwen, met alle gevolgen en risico’s van dien. Met de belangrijke keuzes hoe om te gaan met het nabestaandenpensioen (voor pensioendatum).

Het enige dat hij hoeft te doen is de ‘angel van de commerciële voorziening’ weg te nemen. Op de pensioeningangsdatum ga ik of vanuit eigen beheer gewoon het toegezegde pensioen uitkeren. Is de pot leeg voordat ik dood ga, pech. Of ik ga het ‘aanwezige’ vermogen gebruiken voor een pensioen bij een verzekeraar met het risico van een lagere uitkering als er te weinig geld is. Uitruilen, hoog-laag, uitstellen, deeltijdpensioen, gewoon zoals nu al kan.

Als hij dan toestaat dat de fiscale voorziening op basis van de marktrente mag, dan is de kans groot genoeg dat de aanwezige fiscale voorziening groot genoeg is. Zo niet, pech voor de DGA. Dát is altijd het risico van eigenbeheer. Ook bij de OBR en de OEB.

En op basis van de RJ-eisen hoeft alleen deze fiscale voorziening gepassiveerd te worden. Dat is immers ook de verplichting. Dat deze jaarlijkse wijzigt gezien de volatiliteit van de marktrente, dát is de keus voor eigen beheer. En is ook bij pensioenfondsen het geval, dus niets nieuw en gewoon realistisch.

Waarbij er alleen sprake is van een voorwaardelijke na-indexatie voor zover er voldoende middelen zijn.

En als hij dan toch iets makkelijks wil, waarom dan niet beschikbare premieregelingen, dus zoals nu, echt ‘loonbelasting-pensioen’, toestaan in eigen beheer? Waarom een nieuwe fiscaal regime dat het midden houdt tussen loonbelasting-pensioendenken en inkomstenbelasting-bancair lijfrente sparen. Of artikel 3.126 Wet IB’01 uitbreiden met de BV van de DGA als toegelaten aanbieder en dus de huidige lijfrente-systematiek omarmen op basis van jaar- en reserveringsruimte? Met wederom een eenmalige storting vanuit de huidige fiscale voorziening.

Kortom, de conclusie kan zijn dat het voor de 3e keer weinig waarde heeft, te veel open einden en geen echte oplossing voor het overgangsregime. Vlees noch vis, voor de 3e keer niks.

 

Theo Gommer
Over Theo

Mr. J. Theo Gommer MPLA CCFP (1966) is managing partner bij de &Gommer Pensions Group, bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten en bij de Visitatie Commissie Pensioenfondsen. Hij was tot 2018 voorzitter van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen. Verder is hij actief als [...]

Bekijk profiel