Boon/van Loon en beroep op rechtsverwerking en redelijkheid en billijkheid

Hoewel de Wet VPS al meer dan 20 jaar geleden in werking is getreden, wordt nog altijd veel recht gesproken over pensioenverdelingen onder het voorliggende regime op grond van het Boon/van Loon-arrest. Zo ook weer recentelijk door Rechtbank Den Haag. Wat was er in deze kwestie aan de hand?

image_pdf

 

Feiten en omstandigheden

Partijen zijn in 1984 in gemeenschap van goederen gehuwd. Op 22 januari 1991 is de echtscheiding uitgesproken en op 11 oktober 1991 is deze ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorafgaand hieraan heeft de advocaat van de vrouw aan de man laten weten dat de vrouw geen aanspraak maakt op partneralimentatie en dat naar verwachting de verdeling van de gemeenschap probleemloos zou verlopen. De man heeft vanaf 1 april 1968 pensioen opgebouwd bij het ABP en in 2014 heeft de man de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar bereikt. Eind 2016 heeft de vrouw bij toeval ontdekt dat ze mogelijk aanspraak kan maken op een deel van het pensioen van de man en heeft de man gesommeerd mee te werken aan de opheffing en verrekening van de pensioengemeenschap. De man was eerder gehuwd van 21 april 1971 tot 2 december 1983. Ook de pensioenaanspraken die de man tijdens dit huwelijk heeft opgebouwd heeft hij nog niet verrekend. De vrouw is in 2012 failliet verklaard, welk faillissement is opgeheven.

 

Vordering

De vrouw maakt alsnog aanspraak op verrekening van de pensioenrechten van de man, zowel voor als tijdens het huwelijk opgebouwd en doet hierbij een beroep op Boon/Van Loon. De man dient een reconventionele vordering in, waarbij hij verzoekt de vrouw te veroordelen inzage te geven in haar pensioenopbouw tot einde huwelijk en de verrekening van dit pensioen. Daarnaast vordert de man betaling door de vrouw van een deel van een lening, die de man voor zijn rekening heeft genomen, maar die tijdens het huwelijk is ontstaan. Op 13 september 1995 is de man getrouwd met zijn derde echtgenote.

 

Verweer en oordeel rechtbank

Primair doet de man een beroep op rechtsverwerking. Het feit dat de vrouw ten tijde van de echtscheiding gesteld heeft geen aanspraak te maken op partneralimentatie, heeft bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen doen ontstaan, dat zij ook geen aanspraak zou maken op pensioenverrekening. De Rechtbank volgt de vrouw erin dat uit de mededeling dat het de verwachting was dat de verdeling van de gemeenschap probleemloos zou verlopen, de man moest weten dat de vrouw verdeling van de gemeenschap wenste. Daar valt pensioen ook onder. Ook heeft de man onvoldoende aangetoond dat de vrouw heeft aangegeven niets meer van hem te willen vorderen. Het feit dat de scheiding 26 jaar geleden heeft plaatsgevonden en de vrouw zich niet gewend heeft tot de notaris die is aangewezen om de gemeenschap te verdelen, maakt niet dat een beroep op rechtsverwerking kan slagen.

 

Vervolgens laat de rechtbank zich ook uit over de vraag of verrekening redelijk en billijk is. De man haalt hiervoor een aantal argumenten aan: de vrouw is 15 jaar jonger – de vrouw is failliet verklaard en zal de pensioenbetalingen dan ook gebruiken ter aflossing van schulden en er is sprake van een vergeldingsmotief voor de vrouw. Volgens de Rechtbank heeft zij op grond van het arrest van de Hoge Raad d.d. 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1402 een grote mate van vrijheid om deze redelijkheid en billijkheid toe te passen.

 

In de argumenten van de man ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om het recht van de vrouw op verrekening haar te ontnemen. Voor zover de vrouw, gezien het leeftijdsverschil, aanzienlijke voordelen zal genieten uit het nabestaandenpensioen van de man, wordt dit verdisconteerd in het door de vrouw te ontvangen bedrag voor het ouderdomspensioen. Ook de aanwending van het pensioen voor de aflossing van schulden is geen reden om hiervan af te zien. Het aflossen van schulden kan onder omstandigheden ook deel uitmaken van het levensonderhoud. Ook het vergeldingsargument is onvoldoende. Tot slot heeft de man ook gesteld dat hij alsnog gevolg van de pensioenverrekening te maken krijgt met een grote inkomensterugval, heeft hij in eerste instantie onvoldoende onderbouwd. Het feit dat de vrouw pas in 2016 aanspraak heeft gemaakt op verrekening, maakt wel dat de reeds ontvangen uitkeringen niet meer verrekend hoeven worden.

 

Dan moet de rechtbank nog de vraag beantwoorden hoe om te gaan met het nog niet verrekende pensioen van het eerste huwelijk van de man. Er wordt vanuit gegaan dat dit huwelijk in gemeenschap van goederen is gesloten. Ook dit huwelijk is geëindigd onder het Boon/van Loon-regime. De rechtbank is van mening dat de eerste echtgenote nog aanspraak kan maken op verrekening. Indien zij dit doen, kan de vrouw geen aanspraak maken op verrekening van het pensioen tot 2 december 1983. Maakt de eerste echtgenote geen aanspraak op verrekening, dan brengt Boon/van Loon met zich mee dat de vrouw wél aanspraak kan maken op verrekening van het vanaf 1 april 1968 opgebouwde pensioen. In het eerste geval zal dit voorstel bij helfte aan partijen toekomen. De man is dan ook in de gelegenheid gesteld om een akte in het geding te brengen met een verklaring van de eerste echtgenote of zij nog aanspraak gaat maken op verrekening.

 

Nu de man niet in de gelegenheid is geweest om te anticiperen op een uitbetaling ineens van de waarde van het ouderdomspensioen aan de vrouw, krijgt zij recht op een voorwaardelijke uitkering. Daarbij komt vast te staan dat de man terecht nog aanspraak maakt op verrekening van de door hem voldane schuld met zijn pensioenuitkeringen. Indien en voorzover de vrouw ook pensioen heeft opgebouwd voor de scheiding, moet dit ook verrekend worden op de Boon/van Loon-wijze net als het pensioen van de man. De onderlinge voorwaardelijke uitkeringen mogen verrekend worden, volgens de rechtbank.

 

In eerste instantie is een tussenvonnis gewezen in verband met de door de man te overleggen akte met de verklaring van zijn eerste echtgenote. Uit het eindvonnis blijkt dat de man heeft aangetoond dat zijn eerste echtgenote alsnog aanspraak maakt op verrekening van zijn pensioen. De vrouw heeft dan ook recht op een voorwaardelijk pensioen onder verrekening van de schuld van de vrouw aan de man en het voorwaardelijk recht van de man op een deel van het pensioen van de vrouw.

 

Conclusie

Deze uitspraak laat maar weer eens zien dat Boon/van Loon scheidingen nog altijd actueel zijn en dat een beroep op de redelijkheid en billijkheid met name voor de achterstallige uitkeringen succesvol kan zijn. Naar alle waarschijnlijkheid zal het door de vrouw te ontvangen pensioen, mede door de toe te passen verrekeningen, beduidend lager zijn dan waarop de vrouw gerekend had. Het is dan ook zeker wenselijk om op voorhand het belang inzichtelijk te kunnen maken. Dit is echter niet altijd mogelijk als gevolg van het ontbreken van de benodigde gegevens.

Linda Evers
Over Linda

Mr. Linda Evers MPLA is sinds 2004 werkzaam als advocaat bij Gommer & Partners, daarvoor was zij werkzaam bij diverse verzekeraars en pensioenfondsen als pensioenjurist. Zij is lid van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen, treedt regelmatig op als docent en publiceert in [...]

Bekijk profiel