Criminaliteit en opeising hypothecair krediet

Bepalingen in bankvoorwaarden maken het mogelijk dat een bank haar dienstverlening per direct stopt, wanneer voortzetting van die dienstverlening tot reputatieschade van de bank zou kunnen leiden. Het is echter de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is dat de bank de dienstverlening stopt met een beroep op vermeende reputatieschade. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in 2018 en recent in maart 2019 uitspraak gedaan in twee zaken waarbij een hypothecair krediet per direct door de bank is opgeëist.

Een financiële instelling moet beleid voeren, waarmee het vertrouwen van consumenten in financiële instellingen en markten wordt geborgd. Dat betekent dat financiële instellingen niet geassocieerd willen worden met criminelen, door aan hen financiële producten of diensten te (blijven) leveren. In bankvoorwaarden zijn daarom diverse artikelen opgenomen, die het mogelijk moet maken de dienstverlening per direct stop te zetten, wanneer voortzetting van die dienstverlening tot reputatieschade zou kunnen leiden.

 

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft uitspraak gedaan in twee zaken, waarbij een bank een hypothecair krediet per direct heeft opgeëist. Het argument van de bank is in beide gevallen dat voortzetting van het krediet leidt tot reputatieschade, waarvoor een bank zich in het algemeen belang moet behoeden. Het hof ziet zich in beide gevallen voor de vraag gesteld: is het conform artikel 6:248 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar dat de bank de hele lening opeist, met een beroep op de vermeende reputatieschade voor de bank? Dit mede gezien het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2014 (zie externe links).

Zaak 1: uitspraak 4 oktober 2018

De casus

Een echtpaar financiert sinds 2002 hun eigen woning met een hypothecair krediet van de bank. Op verschillende momenten in 2010 en 2011 worden door de politie in deze woning huiszoekingen gedaan. Er worden (vuur-)wapens, munitie, soft- en harddrugs en vals geld gevonden. De man wordt veroordeeld tot 6½ jaar gevangenisstraf. De burgemeester heeft een paar maanden later bovendien de woning voor een jaar gesloten op grond van de Opiumwet. De vrouw, die inmiddels van haar gedetineerde man is gescheiden, moet de sleutels inleveren.

 

Na de sluiting van de woning, eist de bank het hele krediet op, maar geeft de vrouw nog wel tot het vervallen van de periode van sluiting en voordat de woning executoriaal wordt verkocht de tijd dit krediet af te lossen. Als reden voor het opeisen van de lening verwijst de bank naar haar Algemene Voorwaarden hypotheken, waarin onder meer staat:

 

“De hypotheekbank kan altijd onmiddellijke aflossing van de lening met alles wat de geldnemer verder schuldig is vorderen zonder voorafgaande aanmaning of ingebrekestelling: 
(…)

n. als de geldnemer de verplichtingen die deze Algemene Voorwaarden, de overeenkomst van geldlening, de akte of de wet aan hem opleggen, niet nakomt of in strijd handelt met de bepalingen van deze Algemene Voorwaarden, overeenkomst, akte of wet;”.

 

De vrouw lost niet af, waarna de woning wordt geveild en er een restschuld overblijft. De vrouw stelt onder meer dat de bank de lening niet per direct had mogen opzeggen, en ook de woning niet executoriaal had mogen verkopen.

 

Overwegingen en oordeel hof

Het hof onderkent dat het artikel in de bankvoorwaarden, waarop een beroep is gedaan, erg breed kan worden geïnterpreteerd. Toch is dit geen ‘oneerlijk beding’ conform Richtlijn 93/13/EEG. Het beding is dus geldig.

 

Het hof vindt bovendien dat het artikel in dit geval terecht is ingeroepen en dat de bank de lening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geheel heeft mogen opeisen. De argumenten daarvoor zijn onder meer:

 

  • De klant is de via de bank hypothecair gefinancierde woning gaan gebruiken voor grootschalige criminele opslag van wapens en drugs als gevolg waarvan de burgemeester de woning twaalf maanden heeft gesloten. Daarmee is er voldoende nauw verband tussen het strafbare feit en het gebruik van die gefinancierde woning. Bovendien is de woning herkenbaar in de media verschenen, zodat ook anderen dat verband zouden kunnen leggen
  • Het is begrijpelijk dat een bank niet geassocieerd wil worden met criminele opslag in een door haar gefinancierde woning van een omvangrijke hoeveelheid wapens en drugs, ernstige strafbare feiten, met integriteits- en reputatieschade voor haar als mogelijk gevolg. Het doet er niet toe, dat de bewezen delicten geen financiële delicten zijn, zoals witwassen of financieren van terrorisme
  • De bank heeft met een redelijke mate van tolerantie gehandeld, voordat de woning gedwongen werd verkocht
  • Het klantbelang (verlies van de woning en een hoge resterende schuld, alsmede vermelding in een extern verwijzingsregister), weegt onvoldoende op tegen het belang van de bank, in dit geval. De vrouw heeft op enkele punten meegedaan met de criminele activiteiten. De negatieve consequenties zijn een logisch gevolg van het criminele handelen

Zaak 2: uitspraak 19 maart 2019

De casus

Een echtpaar heeft sinds 2003 twee hypothecaire kredieten, voor in totaal vijf woningen, waaronder hun eigen gezinswoning en een appartement. De man stelt op enig moment het appartement beschikbaar aan personen die een andere bewoner van het appartementencomplex wilden ombrengen, en daarin ook slaagden. De man is tot 6 jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens medeplichtigheid aan moord. De bank zegt de klantrelatie op en eist het totale hypothecaire krediet op bij de vrouw (de man is immers gedetineerd).

Ook in deze zaak is het argument tot opzegging van de bank dat ze verplicht is een adequaat beleid te voeren dat een integere uitoefening van het bankbedrijf waarborgt, om uiteindelijk het vertrouwen in financiële instellingen en markten niet te schaden.

 

De vrouw bestrijdt de rechtmatigheid van het opeisen van de hele lening. De argumenten dat zij niet alleen aangesproken kan worden voor de hele schuld en dat het beding dat tot opeisbaarheid onredelijk bezwarend is, worden door de rechtbank. Wel oordeelt de rechtbank dat het inroepen van het beding onredelijk is.

Overwegingen en oordeel hof

In deze zaak acht het hof het opeisen door de bank echter niet aanvaardbaar. Daarvoor geeft het hof de volgende argumenten:

 

  • Er is weliswaar sprake van een ernstig strafbaar feit (moord), waarin het appartement een rol speelde, maar het verband tussen dit appartement en deze moord is slechts gebaseerd op één gebeurtenis. Als sprake is van ‘doorlopende’ criminele activiteiten, zoals een hennepkwekerij of een ‘saunaclub’ die ook illegale services aanbiedt, moet een bank maatregelen nemen om die activiteiten niet (verder) te faciliteren. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake
  • De bank toont niet aan dat ze reputatieschade heeft opgelopen. De moordzaak is wel in de media is geweest, maar het verband met het appartement, laat staan met de bank, is daarin niet genoemd. Bovendien is het op het moment van het arrest al 7 jaar na de moord en heeft de man zijn straf al uitgezeten. Dat deze zaak nu nog tot reputatieschade zou leiden, is onvoldoende onderbouwd
  • Het klantbelang moet meegewogen worden. Als de gehele lening (dus ook die op de gezinswoning) zou worden opgeëist, zou dit tot een persoonlijk faillissement leiden (de lening is in totaal hoger dan de waarde van alle panden). Bovendien woont het echtpaar met 4 (deels) minderjarige kinderen in de gezinswoning. De huurinkomsten van de andere panden is de belangrijkste inkomstenbron
  • Het gerelativeerde risico op integriteits- en reputatieschade van de bank moet worden afgewogen tegen het belang van de klant. Het bovenstaande klantbelang, weegt volgens het hof zwaarder dan het vermeende bankbelang
Voorbeeld

Een bank heeft vastgesteld dat de eigenaar van een woning, waarop de bank een hypothecair krediet heeft verstrekt, veroordeeld is voor een strafbaar feit. In de bankvoorwaarden staat dat de bank de klantrelatie kan opzeggen op het moment dat de klant de wet heeft overtreden.

Met een beroep op dit artikel, eist de bank het hypothecaire krediet ineens op. De klant verzet zich hiertegen door naar de rechter te stappen.

 

Welke aspecten wegen mee in de beoordeling of de bank al dan niet in het gelijk wordt gesteld?

 

Feitelijk wordt de vraag gesteld welke aspecten een rol spelen bij de vraag of een voorwaarde redelijk en billijk uitwerkt in de specifieke omstandigheden van het geval:

 

  • Er moet een verband zijn te leggen tussen de woning waarop de bank een hypotheekrecht heeft en het strafbare feit
  • Er moet een bepaald belang zijn bij het opzeggen van de klantrelatie. Als er een eenmalige criminele actie is geweest, die direct daarna is opgehouden, is het belang om een klantrelatie stop te zetten minder groot (of zelfs afwezig). Het opzeggen van de klantrelatie heeft dan immers niet tot gevolg dat die criminele activiteit niet meer wordt gefaciliteerd: die is al opgehouden. Daardoor kan een eenmalige actie, zoals moord, minder zwaar wegen dan een hennepkwekerij (tenminste in de afweging de klantrelatie te beëindigen)
  • Er wordt mede gekeken naar het klantbelang. Vervolgens wordt bepaald in hoeverre dat klantbelang opweegt tegen het bankbelang. Het is daardoor theoretisch mogelijk dat een identiek strafbaar feit bij de ene klant wel en bij de ander niet leidt tot het terecht opzeggen van de klantrelatie. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van die klant
Jan Martijn Hengeveld
Over Jan Martijn

Jan Martijn Hengeveld is zelfstandig ondernemer sinds 2011. Hij is sinds 1996 werkzaam in de financiële dienstverlener. Sinds 1999 richt hij zich op het ontwikkelen en geven van opleidingen binnen deze branche. Dat deed hij in loondienst bij een verzekeraar, daarna bij diverse [...]

Bekijk profiel